Als je snorhaar maar goed zit.

0
3
Zoogdieren zijn de enige dieren die hun lichaam bedekt heeft met haren. Er zijn in het verleden al oude gefossiliseerde haren gevonden maar in 2010 ontdekte paleontologen twee zoogdierharen. Deze zijn 100 miljoen jaar geleden vereeuwigd in een barnsteen. De barnsteen werd gevonden in het zuidwesten van Frankrijk. Ze zijn erg gelijkend op de haren van moderne zoogdieren. Door deze spectaculaire vondst wordt duidelijk  dat de vorm en structuur van zoogdierhaar gedurende een lange periode onveranderd is gebleven. Onze meeste huidige zoogdiersoorten hebben een vacht bestaande uit een isolerende ondervacht en een beschermende bovenvacht, bestaande uit dekharen. Bij enkele zoogdieren, waaronder de mens, is de huid spaarzamer behaard. Walvissen en dolfijnen zijn vrijwel onbehaard en ook de naakte molrat is, op enkele tastharen na, kaal. De belangrijkste functies van de haren zijn het vasthouden en verliezen van lichaamswarmte, maar ze kunnen ook een andere functie hebben, als camouflage of voor het imponeren van tegenstanders (bijvoorbeeld de manen van een leeuw). Sommige haren hebben een afwijkende functie, als verdediging (de stekels van bijvoorbeeld egels en stekelvarkens). Je zou het haast niet zeggen maar de hoorn van een neushoorn is ontstaan uit samengeklitte haren. Een vaak gezichtsbepalende haren zijn de snorharen zoals bij de Otter (Lutra lutra). Snorharen of te wel vibrissae  zijn haren die rond de neus of op andere delen van de kop van zoogdieren groeien. Snorharen zijn vaak dikker en stugger dan het andere haar. Snorharen bestaan zoals alle haren uit levenloos materiaal zonder zenuwen. Het onderscheid met gewone haren bestaat uit een speciaal haarzakje dat een kokertje met bloed bevat: de zogenaamde bloedsinus. Wanneer de snorhaar wordt aangeraakt wordt door de buiging van de haar het bloed in de sinus bewogen. Het bloed versterkt de beweging, waardoor zenuwen aan het einde van de sinus extreem subtiele bewegingen kunnen waarnemen. Bij sommige zoogdieren wordt het haarzakje omgeven door spierweefsel, waardoor het dier de snorharen kan bewegen. Snorharen komen voor bij dieren die niet goed kunnen zien of die voornamelijk bij nacht actief zijn. Ze zijn van dienst bij het vinden van de weg en bij het zoeken van voedsel. Omdat de werking van de snorharen van groot belang is voor het overleven van deze dieren, is een groot deel van de hersenen ingericht voor het verwerken van de impulsen uit de zenuwen bij de snorharen. Ook gebruiken zoogdieren veel energie om de haarzakjes rond hun snorharen warm te houden, zodat ze gebruiksklaar blijven. De Otter eet in feite alles wat hij in en rond het water aantreft. In helder water spoort de Otter zijn prooi met zijn ogen op. In troebel water schakelt de Otter over op zijn snorharen, waarmee hij de bewegingen van prooidieren in het water kan voelen. Snorharen zijn daarnaast ook een verlengstuk om in troebel water tijdens het zwemmen niet ergens tegenaan te botsen. De uitspraak: "Als je (snor)haar maar goed zit" is zeker van toepassing bij zoogdieren.