Uitgebreide recensie van "Spinoza. Paradoxale icoon van Nederland"

0
9


Pas heden kreeg ik de recensie onder ogen die vorig jaar
verscheen in het Documentatieblad Nadere
Reformatie
[38e jg #2, 2014, p. 16 – 20
Cf.]. Het is een uitvoerige bespreking van de hand van dr.
J. van Sluis van het Fries historisch en letterkundig centrum Tresoir te
Leeuwarden en de Universiteitsbibliotheek van Groningen (onder meer bekend van
de catalogus De boeken van Spinoza,
die hij samenstelde samen met Tonnis Musschenga – en van publicaties over F. Hemsterhuis).


Hij begint zijn bespreking met het schetsen van een beeld
van Nederlands Cartesianisme van C.L.
Thijssen-Schoute uit 1954 dat zeer documentair en registrerend was opgezet en
geen grote lijnen schetste. Daarmee vergeleken springt Krops boek er in de ogen
van de bespreker gunstig uit.


Uitgebreid behandelt hij de vier perioden, waarin Krop zijn
boek indeelde. Hij heeft vervolgens twee punten van kritiek: een over de
werkwijze en een over de inhoud. Over het eerste citeer ik:


“De werkwijze van Krop is zodanig dat hij de opvattingen van
elke behandelde auteur vrij uitvoerig samenvat en daarbij wijst op verschillen
en overeenkomsten met Spinoza. Het gevolg is dat de lezer tijdens deze stoet
van steeds weer wisselende opvattingen en interpretaties zich begint af te
vragen wat nu de eenheid binnen het gebodene is, anders dan de constante afhankelijkheid
van Spinoza en de — inderdaad — sociologische getinte eenheid in
verscheidenheid van vrijdenkers. Althans, halverwege het boek begon het mij te
duizelen. Ieder zag zijn eigen Spinoza en ieder droeg op eigen wijze een vorm
van spinozisme uit.” [Een vergelijkbare duizeling overviel mij eveneens
halverwege, ik deed daar verslag van in dit blog – hierna vervolg ik het citeren van Van Sluis]
[…] "De meerwaarde van Krop ten opzichte van
Thijssen-Schoute is natuurlijk de presentatie in samenhang, voor zover
mogelijk. Aan de linkerzijde, om het zo maar uit te drukken, bleek en blijkt
het spinozisme steeds weer levensvatbaar te zijn. Maar aan de rechterzijde
blijft het beeld onderbelicht. Dit vloeit wellicht voort uit de invalshoek die
vooral filosofisch-historisch is.”