Spinoza over hamer en bijl – zijn bijdrage aan het thema van de Maand van de Filosofie

0
3

Thema van de Maand van de Filosfie is dit jaar: mens en techniek. Spinoza komen we hierover nog niet tegen in de agenda met activiteiten; alleen is te zien dat Miriam van Reijen op 8 april bij de ISVW in Leusden zal spreken over: "De metafysica van Spinoza." Omdat ik vrees dat we anders deze maand niets over Spinoza's prachtige parabel over de ontwikkeling van gereedschap en de parallel met de ontwikkeling van het gereedschap van de geest, het verstand, zullen horen, wijd ik er op deze eerste dag van de Maand van de Filosofie een apart blog aan. 

In de Tractatus de Intellectus
Emendatione
geeft Spinoza een schets van hoe we in staat zijn
almaar betere instrumenten te maken als verlengstuk van onze
aangeboren lichamelijke instrumenten, alsmede navenant geestelijk
gereedschap verder te ontwikkelen – ons verstand. Hij doet dat in een
verhaaltje met een redenering, waarin hij de typisch Zenoïsche
paradoxale argumentatie onderuit haalt. Ik geef de passage in de
vertaling van Theo Verbeek: Verhandeling over de verbetering van
het verstand
[Historische uitgeverij, Groningen, 2002]

Over de hamer en gereedschap
i.h.a.

30. Nu we weten welke kennis we
nodig hebben, moeten we spreken van de weg en de methode die naar een
dergelijke kennis leidt, en wel van die dingen die we willen kennen.
En om dat te doen moeten we ons eerst realiseren dat dit geen
eindeloos onderzoek zal zijn – dat we om de betere methode te vinden
voor het zoeken van de waarheid we geen tweede methode nodig hebben
om ons te helpen bij het zoeken van de methode voor het zoeken van de
waarheid; en dat om deze tweede methode te zoeken niet een derde
nodig is, en zo tot in het oneindige. Op zo'n manier zouden we immers
nooit tot kennis van waarheid geraken en zelfs niet tot welke kennis
dan ook. Integendeel, jet is hiermee gesteld als met stoffelijke
instrumenten, met betrekking waartoe men op dezelfde manier zou
kunnen redeneren. Want om ijzer te smeden heeft men een hamer nodig
en om een hamer te hebben moet men er een maken, waarvoor echter weer
een andere hamer en ander gereedschap nodig zijn, die op hun beurt
weer ander gereedschap vereisen, enzovoorts, tot in het oneindige –
en niemand gelooft dat dat een reden is waarom de mens geen ijzer kan
smeden. 31 Maar zoals mensen ooit in staat waren om met hun
aangeboren gereedschap eerst, zij het moeizaam en met weinig succes,
allereenvoudigste dingfen te doen en dan met minder moeite en meer
succes andere, moeilijker, dingen, en zo allengs voortgaand, van de
allereenvoudigste technieken tot nieuwe instrumenten en van deze
instrumenten naar andere technieken en andere instrumenten,
uiteindelijk zover gekomen zijn dat ze met weinig moeite zoveel en zo
moeilijke dingen kunnen maken en doen; zo verschaft het intellect
zich door zijn aangeboren krachtk intellectuele
instrumenten, met behulp waarvan het nieuwe krachten opdoet om
andere intellectuele bewerkingenl uit te voeren, met
behulp waarvan het weer andere instrumenten verwerft, dat wil zeggen,
het vermogen om verder te gaan in zijn onderzoek, en zo allengs
voortschrijdt totdat het toppunt van wijsheid bereikt is.