Schedel met een grijns.

0
63

Het borststukrug van de Doodshoofdzweefvlieg (Myathropa florea) is het eerste wat je opvalt bij deze stevige grote zweefvlieg. Met enige fantasie zie je twee vlekken als ogen, onderaan een grote, vlek als mond en is daardoor goed te herkennen. Je vindt hem bij bosranden, tuinen, parken, bospaden en is op veel plaatsten te vinden als er maar bloemen zijn. Het voedsel bestaat uit nectar en stuifmeel. De vliegtijd is van het voorjaar tot in de herfst. Ze legt haar eitjes in ondiep water, in haar geval meestal in plasjes in holle bomen. De larve leeft in rottend hout en rottende bladeren, met water gevulde takoksels. Maar ook in mest en onfrisse gierkelders. Ook daar leven de ’rotjes’ of rattenstaartenmade van vochtige organische afvalstoffen. Die rotjes zijn rolrond en ademen door een uitschuifbare buis aan hun achtereind. Kunnen ze toch nog een beetje frisse lucht ademen. Eenmaal uit de mest begint pas het echte zwevende leven!  Geen wonder dat ze een schedel met een brede grijns op hun rug hebben!