Waarom ontving Richard Popkin niet de Nobelprijs voor Spinoza Studies? [2]

0
37

In het blog van 6 februari 2011 schreef ik over hoe Richard Popkin zeer opgewonden was geraakt over een vondst die hij deed en die volgens hem zó zou inslaan dat hij er wel de Nobelprijs voor de Spinoza Studies voor zou verwerven. Uiteraard was dit een grapje onder vrienden, want zo’n prijs bestaat helemaal niet, maar er is niettemin een serieuze ondertoon in te onderkennen. Intussen kwam ik aan scans van dit beknopte artikel waarin Popkin zijn vondst “wereldkundig” maakte: "Serendipity at the Clark: Spinoza and the Prince of Condé." [In: The Clark Newsletter, University of California, Los Angeles, n°10 Spring 1986, p. 4-7]

Hierna volgt deze tekst (op een voetnoot na die vanwege de zeer verkleinde scans onleesbaar was; ik laat wel het sterretje zien waar die voetnoot geplaatst was).

Je blijft zitten met de vraag waarom deze trouvaille wereldkundig gemaakt in een min of meer 'achteraf clubblaadje’ – hoe gerenommeerd de betreffende bibliotheek ook is – en waarom niet in een voor de wereld der Spinoza-geleerden meer toegankelijk platform? Jonathan Israel bijvoorbeeld heeft het nergens in de bibliografieën van zijn Enlightenment-trilogie.
Waarom deze gegevens pas in 1992 samengevat
in The third force in seventeenth-century thought? [De passage citeerde ik daaruit in het vorige blog]. In de tekst is er een grote rol weggelegd voor de arts Morelli.

louis II de Bourbon, Prince de CondéJonathan Israel schrijft in Radicale Verlichting (p. 81):  “Volgens Henri Morelli, die voorgaf een vriend van de filosoof te zijn, heeft Condé inderdaad uitvoerig met Spinoza van gedachten gewisseld. Overigens zijn de meeste moderne geleerden het hier niet met Morelli eens.”
Daarbij deze voetnoot: “Assoun, ‘Spinoza, les libertines,’ [..]; dit blijft een van de veelbesproken punten in de bestudering van Spinoza; het probleem bestaat al sinds Bayle telkens weer zijn mening veranderde over de vraag of Condé en Spinoza al of niet van gedachten hebben gewisseld in Utrecht.” [.. daarbij verwijst hij ook naar Popkin, The Third Force]