Spinoza’s God en zijn idee van God

0
5


Hoewel ik lang geaarzeld heb, ben ik tot het besluit gekomen
om het nog één keer over de idea Dei te hebben. Ik moet voor mijn gevoel er
echt alles aan gedaan hebben om een zieltje te winnen. Dit klinkt wellicht
cryptisch, maar de betrokkene, als die dit ooit leest, begrijpt het wel. Ik wil
tot het uiterste mijn best gedaan hebben om hem ervan te overtuigen, dat hij
het wat de idea Dei betreft echt niet goed ziet. Ik doe dat, omdat hij
belangrijk voor me was (is). Na deze laatste poging, als ook die niet hielp, zal
ik het onderwerp op dit blog waarschijnlijk verder laten rusten (‘waarschijnlijk’:
altijd slagen om de arm blijven houden; niets is ooit echt definitief).


Eerst nog dit ter inleiding


Aan het begrip idea
Dei
werd en wordt in de secundaire literatuur vaak geen aparte aandacht besteed.
Overwegend werd het eenvoudigweg vereenzelvigd met het oneindige verstand. Zo
heeft, het is één voorbeeld uit vele, The
Cambridge Companion to Spinoz
a (1996) in de index bij idea of God (idea Dei) see Intellect, infinitus. En
Margaret D. Wilson, die in dat Companion
het hoofdstuk “Spinoza’s Theory of Knowlegde” voor haar rekening nam, behandelt
beide ook als een en hetzelfde, zonder in te gaan op de vraag waarom Spinoza
dan verschillende termen voor hetzelfde gebruikte. Waar ze het concept "infinite
intellect" aan de orde stelt (p. 93) schrijft ze: “The concept – often
expressed by the apparently equivalent term "idea of God" (idea Dei) – will play an absolutely
fundamental role when Spinoza comes to articulate his theory of human knowledge
in Part 2.” Maar de specifieke rol van de idea Dei komt bij haar vervolgens niet
aan bod.


H. Barker laat in zijn “Notes on the Second Part of
Spinoza's Ethics (I)” [in:
S. Paul Kashap, Studies in Spinoza, Critical and Interpretive
Essays
. Berkeley, 1972] in een voetnoot op blz. 116 zien dat er
iets aan de hand is, dat er z.i. iets ‘dubbels’ zit in de idea Dei:


The phrase idea Dei as used by Spinoza necessarily introduces an ambiguity
into the term Deus. For we can say
that the idea Dei (I) is itself in Deo (2). Here Deus (1) = the attributes other than Thought, but Deus (2) = the one substance with all
its attributes, but regarded with special
reference
to the attribute of Thought.[
books.google]


Voor mij is niet duidelijk waarom een idee dat volgens Ethica 2/3 in
God is (in ’t attribuut Denken) en dat over God gaat [ik zal in het vervolg
betogen dat het dan om de reëel bestaande God gaat van natura naturans en natura
naturata samen], waarom ‘Deus’ dan verschillende betekenissen zou hebben. Misschien bedoelt hij of voelt hij aan dat er een (niveau)verschil is tussen God de substantie en de idee van God, d.i. de oneindige modus in het Denken; en tussen die niveaus kan er geen eenheid, geen identiteit bestaan.  Spinoza kan er dan wel op wijzen in 2/4 dat er maar één idee van God bestaat, daar God enig is, maar dat niveauverschil van substantie – modus wordt daarmee niet overbrugd. We hebben hier dus niet de eenheid zoals die is gegeven in de vorm van de lichamelijke substantie en de denkende substantie die een-en-dezelfde-substantie uitdrukken – en we hebben niet van doen met het één ding-zijn, zoals bij een lichaam en het idee (de geest) ervan. Maar zo drukt Barker het niet uit. In ieder gevasl geeft Barker met de formulering van zijn probleem aan dat er alle reden is om bij idea Dei te vragen wie of wat daarmee bedoeld wordt – naar wie of wat met dat begrip verwezen wordt.  Op die vraag gaat dit blog in.