Jakob Wasserman (1873 – 1934) werd gewaarschuwd: "wer diese [Spinozas] Bücher lese, werde wahnsinnig"

0
4

Siegfried Hessing verzamelde
begin '30-iger jaren voor zijn Festschrift zum 300. Geburtstag B.
Spinozas
"Äusserungen von Persönlichkeiten über Spinoza."
Dat deed hij bij Einstein en Freud die hun bijdragen gaven. Dat deed
hij ook bij de Duitse schrijver Jakob Wassermann. Die was zo
vriendelijk het volgende bij te dragen:

"Spinoza, das ist ja wie ein
Stück des Geisteshimmel, unter dem man schafft und wandelt. Der
Wirkung ist man sich kaum bewusst, wie weit."

Maar in zijn jonge jaren was hij
bang gemaakt voor Spinoza.

Jakob werd geboren in een joods
gezin. Zijn vader was speelgoedfabrikant. Hij verloor al op jonge
leeftijd z'n moeder. Na z'n lagere schoolperiode deed z'n vader hem
in de leer bij een oom in Wenen waar hij zakenman zou worden. Maar
hieraan kwam al snel een eind. Hij toonde al vroeg interesse voor
literatuur en publiceerde diverse stukken in kleine kranten. Na z'n
militaire diensttijd werd hij in Nürnberg verzekeringsbeambte. Ging
daarna in 1894 naar München waar hij bij de uitgever Albert Langen
werd aangeraden. Drie jaar werd hij redacteur bij het blad
Simplicissimus, bij welke gelegenheid hij Thomas Mann, Rainer
Maria Rilke en Hugo von Hofmannsthal leerde kennen.

In 1896 bracht hij zijn eerste
roman uit: Melusine (in de folklore een vrouwelijke geest van
het zoete water in heilige bronnen en rivieren: Wasserfau).

In 1901 trouwde hij met Julie
Speyer, van wie hij in 1915 scheidde. Drie jaar later trouwde hij met
Marta Karlweis. Vanaf 1906 woonde hij afwisselend in Wenen en in
Altaussee in Stiermarken. Hij publiceerde poëzie, essays, romans en
korte verhalen.

In 1926 werd hij gekozen in de
Pruisische Academie van Beeldende Kunsten. In verband met de Duitse
verordeningen inzake Joodse burgers trad hij af in 1933. In hetzelfde
jaar werden zijn boeken verboden in Duitsland. De verbranding van
zijn boeken heeft hij nog moeten meemaken. In 1934 overleed hij aan
Angina pectoris.

Wassermanns belangrijkste werken
zouden zijn de romans Caspar Hauser oder die Trägheit des Herzens (1908) en Der Fall Maurizius (1928) en de
autobiografie Mein weg als Deutscher und Jude (1921 – op
jakob-wasserman.de
gedigitaliseerd).

Bang gemaakt voor Spinoza
In Mein weg als Deutscher und Jude beschrijft hij de volgende herinnering uit zijn jeugd:  

"Ich war oft in einem alten
Hause Gast bei einem alten Ehepaare; der Mann war ein Gelehrter; im
Zimmer stand ein Bücherschrank, hinter dessen Glastüre die Werke
Spinozas in zahlreichen Ausgaben eigentümliche Verlockung auf mich
ausübten. Als ich eines Tages die Frau bat, mir einen Band zu geben,
sagte sie mit sibyllenhafter Düsterkeit, wer diese Bücher lese,
werde wahnsinnig. Lange noch behielt der Name Spinoza in meinem
Gedächtnis den Klang und Sinn dieser Worte. So ähnlich war es auch
mit allem Frohen, Spielmäßigen, Festlichen, das zu mir wollte, zu
dem ich wollte. Es wurde abgedrängt, verdächtigt, verfinstert. Lust
durfte nicht sein."