Ja, er is plaats voor bidden bij Spinoza [2], maar…

0
35

In
het vorige zei ik dat Spinoza slechts op één plaats over bidden
spreekt. Dat klopt slechts in zoverre dat hij op die enige plaats
serieus en in positieve zin over het nut van bidden spreekt. Er is
echter nog één plaats waarin hij op meer sceptische zin over bidden
spreekt, namelijk in het 25e hoofdstuk van het tweede deel van de
Korte Verhandeling: Van de Duyvelen. Ik citeer de eerste twee zinnen
(zonder cijfertjes)

"Van
de Duijvelen off die zijn of niet zijn, zullen wij nu kortelijk iets
zeggen en dat aldus: Indien de Duijvel een dink is, dat t'eenemaal
tegen God is en van God niet niets heeft, zo komt hij net overeen met
de Niet,
daar wij nu al te vooren van gesprooken hebben.

Stellen wij hem met eenige te
zijn
eenig
denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo
tenemaal tegen God kant
,
zeker zo is hij wel ellendig, en zoo de gebeeden mochten helpen, zo
was voor hem te bidden tot bekeringe." [Van hier]

Hier
beluisteren we dus kritiek op een manier van bidden, n.l. die zou
willen dat de natuur anders was dan hij is. Dat soort bidden acht
Spinoza dus een onzinnig soort bidden. Welnu, "zoo de gebeeden
mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe," lezen
we dus als een uiting van Spinoza over welk bidden géén zin heeft.
In het vervolg van dat hoofdstukje legt hij het accent dan ook op
zijn rationele kritiek op het "bestaan" van duivels en
hoeft hij op dit soort 'bidden' niet meer terug te komen.

[Op duivels ook niet meer, trouwens; dit is de enige plaats in Spinoza's werk waarin de duivel voorkomt.]

Gebeden
hebben nut, zo zagen we Spinoza in het vorige blog aan Van
Blijenbergh schrijven. Maar via de KV beluisteren we een heldere
conditie: bidden moet wel in de filosofie passen. Pas gebeden die op de
juiste manier worden gezegd, met de juiste intentie, passend in de
filosofie, kunnen nut hebben. Dit hadden we uiteraard ook zelf al bedacht,
maar we leren het ook uit deze plaats in de Korte Verhandeling.

Stan
Verdult