Hoe Spinoza Faust redt in Felix Dahn’s "Faust’s Erlösung"

0
36

Een poosje lees ik al in J.H.
Gunning Jr.'s Spinoza en de Idee der Persoonlijkheid (1876),
een zeer merkwaardig boek dat ik vanwege z'n vele christelijk
theologische uitweidingen telkens wil wegleggen, maar er dan toch
weer in ga lezen, doordat Gunning zo'n grote waardering voor Spinoza
kan opbrengen, zodat hij erg veel studie van Spinoza's werk en van de
secundaire literatuur maakte. Alleen al daarom, daar hij je een
aardig idee geeft van de Spinoza-studie in de 1870-iger jaren, is het
boek interessant en leerzaam. Hij wil niet op een eenvoudige manier
Spinoza bestrijden, maar het goede dat bij Spinoza te vinden is
aanvullen (verbeteren of verheffen).

In § 19 beschrijft hij "het
schoon optimisme" dat Spinoza's wijsbegeerte "predikt".
Hij geeft daarvan enige voorbeelden, die hij wel kan waarderen, maar
waarop hij ook kritiek heeft. Ik citeer hier een aardige passage
waarin hij aan de hand van een gedicht van Felix Dahn, "Faust's
Erlösung", laat zien wat hij bij Spinoza mist. Toen ik dit
gedicht wilde opzoeken, maar niet vond, hoewel er veel over en van
Felix Dahn*) te vinden is, ontdekte ik dat Spinoza en de Idee der
Persoonlijkheid
bij archive.org
gedigitaliseerd staat, zodat ik onderstaande tekst eenvoudig kon
overnemen.

Na enige voorbeelden uit het
vierde deel van de Ethica, waarin hem – met Johannes van Vloten –
vooral het "wel te doen en blij te zijn" bevalt, gaat
Gunning verder met: