Causa sui [3] vóór Spinoza – de Scholastiek, Duns Scotus & Suárez

0
24

We zagen dat de Scholastiek het begrip causa sui verwierp. De filosofen spraken er wél over, maar dan om het te ontkennen. Thomas van Aquino vond het causa sui begrip inconsistent en zelfs contradictoir; maar dat laatste met name daar hij het vanuit veroorzaking van potentialiteit naar actualiteit bezag. Hij erkende uiteraard de oneindige virtus essendi (zijnskracht) van God om te bestaan en zijn aantasting (corruptie) tegen te gaan en langs die weg zette Duns Scotus de argumentatie voort, niet meer met efficiënte causaliteit en het begrippenpaar actualiteit/potentialiteit, maar met oneindigheid, perfectie/eminentie en kracht, hetgeen Suárez nog eens verder ontwikkelde, waarna Descartes de causa sui kon inkoppen. 

Duns Scotus (1265/6 – 1308)

Scotus’ bewijs voor het bestaan van God werd veel gewaardeerd om zijn bijdrage aan de natuurlijke theologie, maar is enorm complex, daar het voor elke belangrijke conclusie een reeks subbewijzen hanteert. Het is met name zo ingenieus daar hij in feite cosmologische met ontologische argumenten combineert. Hij is een van de weinige middeleeuwers die het godsbewijs van Anselmus niet verwierp en ook een van de weinigen die de bewering ‘God bestaat” niet als uit zichzelf evident zag. Hij maakte het zich dus niet makkelijk. Z’n bewijsstrategie komt er in hoofdlijnen op neer dat hij de mogelijkheid laat zien dat er in de drie soorten ‘orde’ (de efficiënte oorzaken, de doeloorzaken en eminentie) er onveroorzaakte eersten mogelijk zijn (hetgeen hij doet via conceptuele analyse die hem tot mogelijkheden brengt), vervolgens laat hij zien dat die drie identiek met elkaar zijn (er dus maar één eerste bestaat), en vervolgens bewijst hij dat deze onveroorzaakte eerste eminente oorzaak actueel bestaat. Daarvoor voert hij een andere notie in: er zijn oorzaken van een accidentele orde (daarvan is er telkens één verantwoordelijk voor een – laatste – effect; dat is orde van de tijdelijke dingen) en van een essentiële orde (die samen tegelijk moeten optreden en alle nodig zijn om een effect tot stand te brengen en alle een verschillende bijdrage bieden). Hij bewijst dat in die essentiele orde van oorzaken een oneindige reeks van oorzaken niet mogelijk is, maar dat er steeds een eerste oorzaak is én dat die eerste buiten de oorspronkjelijke reeks valt; tevens dat aan een accidentele orde van oorzaken tenminste een essentiele orde ten grondslag moet liggen. Tenslotte bewijst hij dat dit eerste ding uit zich, ex se, bestaat. Het hier gezegde blijft allemaal erg aan de oppervlakte, maar de bewijsvoering is te ingewikkeld en voert té ver voor een blog als dit. Ik moet volstaan met de volgende conclusies.