Lanen in, lanen uit.

0
40

In een landgoed van 600 ha bij Doetinchem staat het
kasteel Slangenburg. Slangenburg wordt voor het eerst vermeld in 1354 als
eigendom van Maes (Thomas) van Baer.  In
de 17de eeuw werd het kasteel eigendom van de veldheer Frederik Johan van Bear
(1645-1713), die het verbouwde om er te kunnen wonen.
 
 
Het is dan ook geen
wonder dat juist hij de grootste stempel heeft gedrukt op het landgoed en het
kasteel.  Een tijdje na zijn dood kwam
het in de 18e eeuw in het bezit van de familie Steengracht en vererfde in 1781
op de familie Van der Goltz. In 1895 verkochten de erven Van der Goltz het landgoed
aan de Duitse familie Passmann. Leden van deze laatste familie liggen begraven
op de bijzondere begraafplaats naast de slotgracht. Het ommuurde kerkhofje heeft ook een gracht en de toegang is voorzien van een fraai gesmede poort.
 
 
Na
de oorlog werden alle Duitse bezittingen verbeurd verklaard en zo werden het
kasteel en de gebouwen binnen de buitengracht eigendom van de Nederlandse Staat
en maakten als zodanig onderdeel uit van de portefeuille van de
Rijksgebouwendienst. Het omliggende landgoed valt onder de zorg van
Staatsbosbeheer. Het kasteel en de gebouwen binnen de buitengracht zijn op 15
januari 2016 samen met 28 andere monumenten overgedragen aan de Nationale
Monumentenorganisatie. Reden van de overdracht is dat het object voor het Rijk
geen functie heeft, maar vanwege de monumentale waarde wel goed beheerd en
behouden dient te worden. Kasteel Slangenburg staat in de Top 100 van de
Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Het lanenstelsel van Landgoed Slangenburg
is uniek voor Nederland, vanwege de schaal en authenticiteit.
 
 
De centrale as en
oprijlaan is maar liefst anderhalve kilometer lang. Het is aangelegd in de vorm
van een trapezium. Het zijn zeer oude bomen en dan komt het voor dat er vanwege
leeftijd, storm, schimmelaantasting soms gaten vallen in deze statige lanen.
Daarom worden er soms stukken laan gekapt en vervangen door nieuwe jonge bomen
om het lanenstelsel in stand te houden voor de toekomst.
 
 
Om het verlies van holen in de oude beuken, die geveld zijn, op te vangen zijn er hier en daar ter compensatie een paar vleermuiskasten opgehangen. Vanwege hun hoge leeftijd
is het ook niet verwonderlijk dat je hier leuke dieren en planten kunt
aantreffen. Om een paar te noemen zien we een zwarte specht, groene specht, gewone
salomonszegel en koningsvaren.
 
 
In juli is hengel (Melampyrum pratense) met zijn
gele bloemen de meest opvallende plant. De afmeting van hengel is tussen de 15-50
cm en bloeit trouwens in de maanden juni, juli en augustus. De bloeiwijze is
naar één  kant gekeerd en trosvormig. De kelktanden zijn veel korter dan
de kroonbuis. De bloemen zijn geelwit, 2 cm en met  een rechte kroonbuis.
De keel is meestal gesloten. De nectarrijke bloemen wordt bezocht door hommels
zowel met korte als lange tongen bezocht.
 
 
De vrucht die na bevruchting
ontwikkelt heeft ten hoogste vier tamelijk zware zaden met een oliehoudend
weefsel aan de buitenkant, een zogenaamd mierenbroodje. Mieren zorgen voor de
verspreiding van deze vruchten en je ziet dan ook soms aan de voet van een
mierenhoop een groot aantal kiemplanten van hengel in het voorjaar. De
vierkantige stengels hebben boogvormig opstijgende zijtakken en een iets
voorover hangende top. De bladeren zijn eirond tot lijnvormig-langwerpig. Ze
hebben een gave rand, zijn donkergroen, 3-6 cm lang en tot 3.5 cm breed. De
schutbladen hebben vaak  aan de voet enkele grove, smal driehoekige,
afstaande tanden. De onderste meestal met een gave rand. Hengel groeit het
liefst op open plekken in loofbossen en langs bospaden. Maar ook kapvlakten,
bosranden, struwelen, houtwallen, grazige vegetaties onder bomen, beschaduwde
bermen en heide. De bodem van de groeiplaats is op half tot licht beschaduwde
plaatsen op droge tot matig vochtige, matig voedselarme, stikstofarme, zwak
zure tot zure grond met een vrij slecht verterende strooisellaag (zand en leem,
soms op veen). Hengel is een halfparasiet die met zijn wortels zijn gastheer
ondergronds aanboort zoals  zomereik,
berk maar ook wel bosbessen. Een halfparasiet kan zich in stand houden door water
met de daarin opgeloste mineralen te onttrekken aan de gastheer waarmee hij
samenleeft. Dit mengsel kan hengel via fotosynthese omzetten voor eigen
behoefte. In Nederland is hengel plaatselijk vrij algemeen in het oosten en
midden van het land en vrij zeldzaam in Zuid-Limburg. Elders zeer zeldzaam, o.a.
in de Hollandse duinen. Niet in Zeeland, het noordelijk zeekleigebied, op de
Waddeneilanden en in Flevoland. In 2012 stond hengel op de rode lijst maar is thans
niet bedreigd.
 
 
Op het grote landgoed bevinden zich ook nog een paar boerderijen
en wandelend door de lanen levert dat regelmatig mooie doorkijkjes op.  Door de mengeling van historie, cultuur,
natuur is het in allerlei opzichte heerlijk vertoeven door de schaduwrijke
lanen van het landgoed Slangenburg.