Theoloog Tholuck werd aanleiding dat Hegel zich fel tegen Spinoza keerde

0
9

Friedrich Augustus Gottreu Tholuck (1799 – 1877) was decennialang de belangrijkste hoogleraar theologie aan de piëtistisch georiënteerde universiteit van Halle. In 1823 verscheen van hem ”Die Lehre von der Sünde und vom Versöhner, oder: die wahre Weihe des Zweiflers” (De leer van de zonde en van de Verzoener, of: de echte wijding van de twijfelaar), een boek waarmee hij groot succes had. Hij maakte tijdens zijn leven negen drukken ervan mee en het kreeg vertalingen in het Nederlands, Engels, Zweeds, Deens en Frans.

VoorkantDe kern van het boek bestaat uit een briefwisseling tussen twee studenten, Guido en Julius. Beiden gaan studeren: Guido theologie, Julius letteren en geschiedenis. De theologiestudent wordt indringend geconfronteerd met de moderne intellectuele bezwaren tegen het christelijk geloof. Guido raakt teleurgesteld en besluit naar wijsbegeerte over te stappen. Maar ook daarin wordt hij teleurgesteld en hij raakt sceptisch van de heersende idealistische filosofie en van de gedachte dat er uiteindelijk maar één ding bestaat. Zijn vriend Julius, met wie hij al lang geen contact meer had, schrijft hem over zijn ‘wedergeboorte’ waardoor hij theologie is gaan studeren. Daar begint hun correspondentie. Julius raadt Guido aan zijn aandacht op het kwaad te richten. De rede was de duivel. De roep om zelfkennis wordt gezien als uitnodiging voor een hellevaart. Maar, schrijft hij: „Alleen de hellevaart van de zelfkennis maakt de hemelvaart van de Godskennis mogelijk.” Waar komt het kwaad vandaan? Onder meer van het filosofische pantheïsme en het rationalistische heidendom. “De leer van Spinoza en Schelling,” zegt hij, „kent het kleine mensenhart met zijn grote behoeften niet en wanneer het gewond is kan zij het niet genezen.” Julius haalt Guido over om tot praktische zelfkennis te komen en zijn eigen zelfzucht te onderzoeken, zijn „ondelgbare zondeschuld” te erkennen. Wie zich er niet van bewust is dat hij verwond is, zal het geneesmiddel alleen maar lastig vinden. Maar de redding is daar voor wie uit een benauwd hart tot God roept. Julius krijgt succes, want Guido is met zijn zelfonderzoek begonnen, door b.v. Luther te gaan lezen dat „het met elk mens tot een ondergang moet komen.” Dat gaat zo een hele tijd door, er wordt geschreven over de ‘verzoening’ en Tholuck besluit zijn boek met bijlagen over de manieren die er zijn om de mensen van de waarheid van het christendom te overtuigen. Dogmatische discussies over de leer van de Triniteit zag Tholuck als speculatief 'Fachwerk'. Kortom, het boek had, zoals gezegd, groot succes, de hele 19e eeuw door.

Maar waarom is dat voor een Spinoza-blog interessant?