"Omdat het louter eigenschappen van het lichaam zijn zonder verband met de geest" (3/59s)

0
3

Vanaf de eerste keer dat ik de
Ethica (in de vertaling van Henri Krop) las, verwonderde ik
mij over de voorlaatste zin van Deel 3, in het scholium bij
stelling 59 vlak voor de opsomming van de Affectuum Definitiones.
Daar lezen we:

"Ik heb overigens de
uitwendige aandoeningen van het lichaam die wij bij de hartstochten
waarnemen, zoals de trilling, het verbleken, het snikken, het lachen
enzovoort, buiten beschouwing gelaten omdat het louter eigenschappen van
het lichaam zijn zonder verband met de geest." [absque ulla ad
Mentem relatione referuntur]

Daar kwam bij mij een vraagteken
te staan met de vraag "kan er iets lichamelijks zijn zonder
verband met geest?" Die opmerking komt mij sindsdien steeds
onder ogen bij het herlezen van die tekst. Zo ook van de week toen we
in onze SKL het laatste stuk van het derde deel bespraken. Ik stelde die kwestie aan de orde en bleek
overigens niet de enige te zijn die daar een vraagteken had geplaatst.

Als Spinoza daar nu fysieke
verschijnselen had genoemd als zweten, tranen afscheiden, in de broek
plassen van angst etc. dan kon je dat makkelijker plaatsen: wat het
lichaam verlaat, hoort niet meer tot het lichaam en wordt dus niet
meer weerspiegeld in de geest. Maar verbleken, trillen, blozen etc.
zijn toestanden van het lichaam – affectiones Corporis externas
in die zin dat ze van buitenaf te zien zijn, maar zijn niet
letterlijk uitwendig of buiten het lichaam.