George Boole (1815 – 1864) analyseerde met Booleaanse logica Spinoza’s Ethica

0
1

Met de introductie van zijn symbolische logica, later ‘Booleaanse’ logica genoemd, hoopte George Boole bij te dragen tot het slechten van godsdienstige twisten, het wegvagen van het Spinozisme en de weg te wijzen naar – de nouminale/transcendente – God. Hij legde er echter de grondslag mee voor de latere computertaal en de digitalisering van de wereld, waarin Spinoza wordt meegenomen…

Boole kreeg een streng Anglicaanse opvoeding, wilde aanvankelijk priester worden, maar moest gaan lesgeven om zijn familie te onderhouden. Geleidelijk aan werd hij minder dogmatisch. Zo maakte hij zich niet druk om het Jezusboek van David Friedrich Strauss: hem interesseerde de ideale Jezus, minder de vraag naar diens werkelijke biografie. Hij raakte geïnteresseerd in het unitarisme en hield zich sterk bezig met de triniteitsleer. Hij begreep de drie-eenheid niet als letterlijk drie personen, maar op de manier waarop we ook de wereld in drie dimensies zien. Door zijn vader was hij doordrongen van het majestueuze van het astronomische universum. Zijn vader die een winkel dreef had de volgende tekst op z’n winkelraam: “Anyone who wishes to observe the Works of God in a spirit of reverence is invited to come in and look through my telescope.”

Zoon George die gedichten schreef als ‘odes to God’s handiwork’ raakte toch minder geïnteresseerd in de materiële natuur en meende dat God toch vooral te zien was in de manier waarin de natuur de Geest bestuurt. God was vooral te vinden in de hoge, perfecte noties van orde en intelligentie, niet in de uiterlijke structuur van de Kosmos. Hij werd dan ook geen natuurwetenschapper, maar ‘mentaal onderzoeker’ – hij werd wiskundige. Dat was voor hem een vorm van godsdienst. Met wiskunde raakte je het transcendente. Wiskunde kwam direct van de geest van God. Spiritualiteit was voor hem: in contact zijn met de eeuwige waarheden en dat inspireerde hem zeer om zijn mathematische logica te ontwikkelen. De religieuze intentie was daarbij sterk aanwezig. Hij was een religieuze omnivoor, sterk antidogmatisch en antiklerikaal en vond dat geen enkele denominatie of sekte het monopolie op God had. Het ging hem om waarachtig geloof en niet om het blind volgen van dogma’s. Hij ontwikkelde een grote affiniteit met het jodendom en probeerde zelfs Hebreeuws te leren, wat hem slecht lukte. Hij was van mening dat de joden en hij van dezelfde religie te lijden hadden. Hij ging echter niet zover dat hij zich tot het jodendom bekeerde. In plaats van zo’n religieuze bekering kwam de symbolische logica die zijn eenheidsstreven vervulde.

In het voorgaande mag voldoende benadrukt zijn dat bezig zijn met religie, wiskunde en logica voor hem uit hetzelfde vaatje tappen was – wetenschap, wiskunde en religie vond hij zeer gerelateerd. Hij was er van overtuigd dat werken met algebraïsche symbolen beter was dan met abstracte, slecht-gedefinieerde begrippen theologisch dogmatische strijd te voeren.