Rat met lange oren.

0
48


In het voorjaar zag ik in de voortuin soms in mijn ooghoeken
een bruin beestje weg schieten in de buxusheggetjes. Het leek een beetje op een
bruine rat. Die komen hier net als in de rest van het dorp ook voor. Twee weken
later leek het wel of de "rat" steeds groter werd en mijn
nieuwsgierigheid ook! Op de plek waar ik het dier het meest had gezien zette ik
een wildcamera neer. Gezien dit niet het gewenste resultaat opleverde wilde ik
de inloopkooi neerzetten. Maar daar zat die dan eindelijk in het volle zicht!
Het bleek een jong konijntje te zijn. De dagen die volgde zagen we hem/haar
steeds vaker. Maar nu ook in de zijtuin en de grote achtertuin. Op een mooie
warme zomer namiddag zat ik op het terras te wachten met de camera en klik die
staat erop!

Het konijn (Oryctolagus cuniculus)  behoort net als de haas niet tot de
knaagdieren, maar tot de haasachtigen (of dubbeltandigen). Het voornaamste
verschil van deze aparte groep is dat haasachtigen achter de grote
bovensnijtanden een paar stifttanden hebben staan, in tegenstelling tot
knaagdieren. Ook hebben ze een gespleten bovenlip. Haasachtigen hebben, als
echte planteneters, grote platte plooikiezen. Verder hebben ze relatief grote
achterpoten, lange oren, grote ogen en terugtrekbare huidflapjes voor de
neusgaten. Ze gebruiken nooit hun voorpoten om er voedsel mee vast te houden en
aan de voorvoeten hebben ze vijf, aan de achterpoten vier tenen. Konijnen zijn
compact gebouwd en hebben een grijsbruine vacht met een okerkleurige nek. Soms
worden ook wel eens kleurvariaties gezien. Konijnen hebben lange oren, die
korter zijn dan hun kop. De oorpunten hebben een dun donker randje aan de
buitenzijde maar geen zwarte punten die zo typisch zijn voor de haas.

De korte
staart is zwart van boven en wit aan de onderkant. De staart is meestal
opgewipt, zodat alleen de witte onderzijde zichtbaar is. Voorouders van ons
konijn leefden ruim een half miljoen jaar geleden in Spanje. Een fossiele, daar
gevonden, tand levert het bewijs. Ook in Zuid-Frankrijk zijn resten gevonden
van zo’n 200.000 tot 300.000 jaar oud. De laatste ijstijd drong de soort echter
tot ver zuidelijk op het Iberisch schiereiland terug. Daarna dook de soort op
in verslagen van Grieken en Romeinen. De Grieken kenden het konijn al in de 2e eeuw
voor Christus van de eilanden in de Middellandse Zee. De Romeinen vermeldden de
soort in het begin van onze jaartelling bij hun verovering van het Iberisch
schiereiland. In alle gevallen van aanwezigheid ging het uiteraard om de
eetbaarheid.  Het konijn komt voor in
vrijwel geheel West- en Midden-Europa en is daar, met uitzondering van
rotsachtige gebieden en hooggebergten (boven 700 meter).
Pas in de loop van de 13e eeuw werd het konijn in ons land ingevoerd.

Eigenlijk is het konijn een exoot en heeft zich met en zonder hulp van de mens ondertussen
over heel Nederland verspreid. Konijnen leven in holen en hebben daarom een
voorkeur voor zandige bodems waarin het makkelijk graven is. Ze prefereren
halfopen landschappen zoals perken, tuinen en bosranden. Vochtige biotopen zoals
moeras, veen of zware klei worden gemeden omdat ze daarin geen holen kunnen
graven. De duinen zijn wel een belangrijk biotoop voor konijnen. Toen er
nog veel konijnen in het duin rond liepen was hun invloed op de vegetatie door het
grazen en graven groot. Konijnen eten ook wel eens orchideeën en daardoor werd  onze Nederlands bekendste natuurliefhebber Jac.
P. Thijsse op het verkeerde been gezet en zag het konijn als een bedreiging. In
zijn boekje over de duinen staan uitspraken als: " De duinen hebben van de
konijnen niets dan schade " en "voor rijk begroeide duinen moeten de
konijnen worden uitgeroeid ". Maar dit oude denkbeeld is inmiddels wel
bijgesteld. Door hun knaaggedrag worden ze wel tot de 'kleine grazers' gerekend
en hebben ze een grote positieve invloed op de vegetatie. Toen er bij de
konijnen allerlei ziektes uitbraken zoals Myxomatose en de nieuwe virus VHS (Viral Haemorrhagic
Syndrom) werd wel duidelijk dat konijnen onmisbaar zijn voor
de duinen.  Duinbeheerders
zijn niet gelukkig met het verdwijnen van het konijn: ze graven en grazen niet
meer, de begroeiing schiet steeds massaler en sneller op en konijnenholen
stuiven niet meer uit. En uiteindelijk vervilt de vegetatie tot dichte
grasmatten en struwelen waar geen orchideeën en andere bijzondere en
kenmerkende duinplanten meer willen groeien.

Sommige vogels die een sterke
relatie hebben met het konijn door in hun holen te broeden,  zoals tapuit en bergeend, nemen zienderogen af
of zijn zelfs al verdwenen. Als er weinig konijnen zijn missen deze
broedgelegenheid en daarnaast groeit het duinlandschap dramatisch dicht. Een
hol wordt door één familie van maximaal tien leden bewoond. Meestal blijft het
leefgebied beperkt tot een gebied rond het holenstelsel. De vegetatie in de
buurt van hun holenstelsel blijft hierdoor lekker kort. Bijkomend voordeel
daarbij is dat ze zo snel roofdieren kunnen opmerken en door dicht bij het hol
te blijven kunnen ze snel en veilig het hol in duiken. Ze eten eiwitrijke en
licht verteerbare plantendelen zoals: scheuten, wortels van grassen en kruiden.
Maar ook loten van jonge struiken en bomen. Omdat konijnen ruim voldoende vocht
kunnen halen uit hun voedsel, hoeven ze vrijwel niet te drinken. Ons konijntje
laat in de tuin inmiddels ook kleine zichtbare sporen achter zoals keuteltjes.

Hij is voornamelijk in de schemering en in de nacht actief. Regelmatig zie
ik het konijntje snoepen van de witte klaver en bloemhoofdjes van madeliefjes
die  in het gazon groeien. Een keer heb
ik gezien dat hij na een mild zomerbuitje een waterdruppel van een beukenblaadje
aflikte. De aanwezigheid van het konijntje in onze tuin is een echte verrijking
en bezorgt ons veel plezier. We weten nog steeds niet waar hij zijn hol heeft
gegraven maar die komen we vast nog wel eens een keertje tegen.  In het begin snuffelden de honden elke ochtend
de achtertuin grondig af vanwege deze vreemde huppelgeur, maar inmiddels zijn ze gewend aan onze nieuwe "rat met lange oren".