Prachtige pech.

0
3
Daar sta ik alweer langs de snelweg A73, zonder autopech maar met een
Kerkuil (Tyto alba) in de hand. Eigenlijk wil ik ze niet meer oprapen maar op een of
andere manier kan ik ze niet zien liggen op dat harde zwarte asfalt.
Het is een soort haat-liefde verhouding met het A73 asfalt. Je maakt er
gebruik van omdat je vlug van A naar B kunt gaan maar van de andere kant
breekt er elke keer een stukje van mijn hart af als ik weer een
levenloos dier op zie liggen. Dat hebben ze niet verdiend. Gelukkig is
er en wordt er voor fauna veel gedaan om verkeersslachtoffer op
snelwegen te voorkomen. Maar de Kerkuil is toch anders dan andere.
Wellicht is dat wel de grootste aantrekkingskracht van deze blijkbaar
"ongrijpbare" nachtelijke ridder. Ongrijpbaar in de zin dat hij zich
niet laat weerhouden door mensen bedachte mitigerende maatregelen zoals
rasters en fauna tunnels. Deze gevallen "Don Quichot" is nu in mijn
handbereik……helaas. Ik kan het hem niet kwalijk nemen dat hij blijft
strijden tegen het onrecht wat hem en zijn volk is aangedaan in deze
wereld. De Kerkuil is nog warm en zijn prachtige met "tranen" geparelde
verenkleed is elke keer weer overweldigend. Veren maken de vogel en de
veren van de uil zijn heel anders als die van
andere vogels. Uilen zijn geen snelle vliegers dus moesten zij iets
anders ontwikkelen om hun prooi makkelijker te kunnen vangen en de
natuur heeft ze geluiddempende veren gegeven en dus vliegen ze zonder
dat je het hoort. 
Op elke horizontale beharing van de slagpennen zit ook nog een extra
verticaal minuscuul haartje, samen vormend een donslaagje. Dat maakt
uilenveren zo zacht en vrijwel onhoorbaar tijdens het vliegen. Heel
anders dan bv. bij Knobbelzwaan die stugge veren hebben en
zelfs tijdens het vliegen een fluitend geluid laten horen van de
slagpennen. Van een verkeersbord of tak laat de uil zich eerst
voorovervallen, om vervolgens in een
sierlijke duik hun (muis)stille jacht te openen. De muis in de berm
hoort dus nooit de Kerkuil aankomen
totdat het te laat is. Denkend aan deze en de andere vele Kerkuil
verkeersslachtoffers die op snelwegen vallen, rij ik terug door de 2,4
kilometer lange Roertunnel. Bij het opdoemende licht aan het einde van
de tunnel bedenk ik me net dat ik in de Roertunnel tot nu toe nog geen
dode Kerkuil heb gevonden. Soms moet je als mens ook woorden durven te
zeggen om dingen te proberen te
veranderen wat niet te veranderen lijkt. Misschien moet Rijkswaterstaat autosnelwegen in de toekomst, daar waar
het mogelijk is, ondergronds aanleggen. Waar een wil is, is een weg. Dan zal ik hopelijk geen "prachtige pech"
meer vinden.