Ongestoord wandelen.

0
32

In de Molenheide dat onderdeel is van het Leenderbos in Noord-Brabant lijkt het wel of er een natuurramp heeft plaatsgevonden. Ik werd aangenaam verrast, overal grote open plekken waar vorig jaar nog bos was!

Terwijl ik een foto maak moppert een wandelaar: "Zijn ze helemaal gek geworden!! Ze moeten nodig iets zeggen over verre landen waar ze oerwouden kappen". Ik probeer hem te kalmeren door een foto te laten zien, maar dat baat niet. Dus laat ik hem in zijn waardige waan verder mopperen op deze mooie zonnige dag!  Zonnig en warm is het hier zeker nu er open variatie is ontstaan in dit voormalige ellendige productiebos. Over de kapvlaktes is een zomers geluid te horen. Niet alleen op de nieuwe kapvlaktes maar ook aan de schaarsbegroeide randen van open stuifduingebieden, zonnige bosranden en op enkele heideschraalgraslanden (speelweide) zijn ze te horen.

Als je ze eenmaal hoort is het een kwestie om de bron van het geluid vast te stellen. Al luisterend stuit je al  vlug op een klein donkere ingang met een contrastrijk open lichtkleurig zandplekje met een Veldkrekel (Gryllus campestris).

Hij is goed herkenbaar met zijn rond lichaam en een gedrongen bouw. Kop en halsschild zijn zeer stevig en glanzend zwart, de voorzijde lijkt enigszins op een helm. Bij het mannetje is de vleugelbasis lichter tot geel terwijl bij het vrouwtje de vleugels overwegend bruin zijn. Ze worden tussen de 18 tot 27 mm lang. De mannetjes zijn echter ook makkelijk van de vrouwtjes te onderscheiden doordat deze laatsten een duidelijk zichtbare legbuis hebben waarmee de eitjes in de bodem worden afgezet. De legbuis heeft bij deze soort een verdikking aan het uiteinde. Geduld is een schone zaak want bij onraad sprint hij in zijn zelf gegraven holletje. De tunnel is gewoonlijk tussen de 20 en 30 cm lang met een diameter van ongeveer 15 mm en eindigt in een kleine ronde ruimte. Hierin wordt overwinterd en geschuild bij slecht weer of bij verstoring. Het gras in de directe omgeving  is door de Veldkrekel weg geknaagd. Zo heeft hij een mooi schoon podium om zijn vioolconcert, aan zijn concurrentie en toekomstige vrouwtje, ten gehore te geven. De volwassen Veldkrekel is doorgaans te zien (en te horen) van begin mei tot uiterlijk eind juli.

De warmteminnende mannetjes zingen vanaf een temperatuur van 13-14°C, zowel overdag als tijdens het eerste deel van de nacht. Het geluid ontstaat door stridulatie en is typisch krekelachtig; kri..kri..kri waarbij altijd de linkervleugel onder de rechtervleugel wordt geschoven. Veldkrekels hebben wel vleugels, maar kunnen daar toch niet mee vliegen. Deze zijn daarvoor te kort. Bij mannetjes zijn de voorvleugels speciaal gevormd om geluid mee te maken. De rechtervleugel heeft aan de onderkant een rij kleine tandjes, waarmee hij over een richel van de onderliggende linkervleugel kan raspen. Hierdoor gaan de voorvleugels trillen, maar op zo'n bijzondere manier dat hierdoor het mooie krekelgeluid ontstaat. Om dat goed te laten horen, tilt hij bij het sjirpen de voorvleugels een beetje op. Zo ontstaat een klankkast (net als bij een gitaar of viool) en klinkt het geluid extra ver. Om die geluiden te kunnen horen, hebben Veldkrekels natuurlijk ook een gehoororgaan. Dat zit vreemd genoeg in hun voorpoten! Als er eenmaal een vrouwtje in de buurt opduikt, begint het mannetje zachter en hoger te tjirpen waarbij hij haar met kleine rukjes achterwaarts nadert. Indien zij paringsbereid is, wurmt het mannetje zich onder haar en deponeert hij een zaadpakketje in het geslachtsorgaan van zijn partner. Dit wit pakketje is met wat geluk ook goed te zien, na uiterlijk een half uur wordt het donkerder. Na de bevruchting wordt de balts hervat om te verhinderen dat een ander mannetje het pakketje zou verwijderen. De vrouwtjes leggen reeds in mei hun eitjes die in kleine pakketjes van 20 tot 40 stuks met behulp van haar legboor in de grond worden gedeponeerd. In juni komen de eerste nimfen uit de grond gekropen, zij zijn dan amper 1 mm lang, maar groeien zeer snel en kunnen na een zestal weken reeds 20mm bereiken. Om te vervellen gaan de nimfen met hun kop omlaag gericht aan een grasspriet of enig andere lage plant hangen. Vlak na de vervelling hebben ze een vuile bruinrode kleur. Omdat de imago’s doorgaans tegen eind juli sterven, gebruiken de grotere nimfen de holtes van hun voorgangers, maar elk jaar zullen er ook nieuwe gegraven worden. De levenscyclus van de Veldkrekel duurt 1 jaar. Grassen en kruiden die hij in zijn habitat tegenkomt, vormen het hoofdbestanddeel van zijn menu, maar ook hun wortels, zaden en kiemen worden verorberd. Met zijn stevige kaken gaat hij zelfs ietwat grotere zaden eerst van hun zaadhuid ontdoen om het voedzame kiemwit te kunnen bereiken. Indien voorhanden, zullen zowel de nimfen als de imago's een voorkeur hebben voor het proteïnerijke delen van grassen. Hoewel de Veldkrekel zijn holte kan delen met een spin of zelfs een jonge Rugstreeppad, zullen dierlijke eiwitten in de vorm van kleine, trage geleedpotigen of zelfs een dood (zoog)diertje kan deel uit maken van zijn menu. Vroeger waren de Veldkrekels zeer algemeen op de hoge zandgronden maar de soort gaat al lange tijd achteruit en is niet meer overal algemeen. Veel heideterreinen, waar vroeger Veldkrekels voorkwamen, zijn minder geschikt geworden. De achteruitgang van de Veldkrekel is in heel Noordwest-Europa merkbaar. De oorzaken moeten gezocht worden in biotoopvernietiging en de daarbij de samenhangende biotoopversnippering. Ook de veranderingen van vegetaties structuur van heideterreinen en graslanden door bemesting en de daarbij achterblijven van beheer door het laten dichtgroeien van heidegebieden en stuifzandgebied is funest voor deze soort.

Als een bepaald heideterrein tijdelijk ongeschikt is geworden door bijvoorbeeld het dichtgegroeid met struiken en bomen kunnen alle Veldkrekels daar uitsterven. Als het terrein daarna weer geschikt is geworden door beheer, kunnen de Veldkrekels daar dus niet meer zo makkelijk naar toe komen door bosrijke barrières. Dat kan alleen als er nog ergens anders in de buurt Veldkrekels voorkomen. Het verbinden van heideterreinen en andere Veldkrekelbiotopen in combinatie met begrazing is juist wat ze hier in het Leenderbos aan het doen zijn. Juist het kappen van het bos tussen die terreinen is een goede methode om dit te realiseren. Ook gezien de matige lage natuurkwaliteit van die bossen zal dit weinig pijn doen. Daarnaast zijn er in het Leenderbos een aantal asfaltwegen zoals de A2 en de N396 (Valkenswaarderweg) die voor de natuur grote barrières zijn.  Er wordt hard gewerkt aan twee ecoducten om deze twee asfalt barrières op te heffen en kunnen niet alleen Veldkrekels ongestoord van het ene gebied naar het andere gebied wandelen.