Levende cultuurhoeders.

0
30

Vanuit de slaapkamer kijk ik in de vroege ochtend naar het
landgoed. Wat een aangename verrassing! Er staat een schaapskudde op het veld.
Vorig jaar was hier Engels raai gras ingezaaid voor zaadproductie. In het
najaar was dit zijn de zaden geoogst en het gras groeide weer aan. Maar ook
"onkruid" kreeg een kleine kans. Om het Engels raaigras in het
voorjaar een frisse start te geven heeft de landgebruiker een schaapskudde  ingehuurd.

Het gedomesticeerde schaap stamt af
van  verschillende soorten wilde schapen
uit de geslacht Ovis. Deze komen in meerdere soorten voor in een gebied dat
zich uitstrekt van het Midden-Oosten tot in Azië en verder tot in het oosten
van Noord-Amerika. In Azië en in het westen van Iran komt de  moeflon voor. Dit is een zeer vroeg
verwilderd schaap. Al deze wilde schapensoorten 
worden over het algemeen beschouwd als de wilde voorouders  die een bijdrage hebben geleverd aan
ontwikkeling van het gedomesticeerde  schaap.
Vanuit het Midden-Oosten heeft het gedomesticeerde schaap zich door mensen geleidelijk
over grote delen van de wereld verspreid. In Nederland is het houden van
schapen omstreeks 5000 v. Chr. begonnen. Die schapen kunnen er ongeveer hebben
uitgezien als de heidschnucke. Uit dit soort type schapen is in de loop van de
eeuwen een aantal verschillende rassen ontstaan door natuurlijke selectie aan
de verschillende leefomstandigheden zoals grondsoort, klimaat en door fokselectie
door de mens. Op basis van het gebruik en de leefomstandigheden delen we de schapenrassen
in de heideschapen die ontstaan zijn op voedselarmste gronden en de
weideschapen ontwikkeld op voedselrijkere gronden.  Eenmaal in het veld raak ik in gesprek met de
schaapsherderin. Ze komt met haar kudde uit Duitsland maar de taal vormt geen
barrière. In Duitsland net over de grens heb ik deze kudde ook al eens gezien.  Hier worden ze ingezet voor het beheer van
heidegebieden. In haar kudde  lopen daar
ook een paar geiten bij. Die knabbelen graag aan jonge boompjes en helpen zo
mondjesmaat mee aan het open houden van de heidegebieden. Ze zal een tijdje met
haar kudde in het Roerdal verblijven.  De
kudde bestaat uit een vrij zeldzame schapenras: witte horenloze heidschnucke.

De stamvader van dit ras is de heidschnucke. De heidschnucke kent zijn
oorsprong uit de noordwestelijke deelstaat van Duitsland (Niedersachsen).  Dit ras was in Niedersachsen het belangrijkste
schaap op de voedselarme gebieden zoals de Lünenburger Heide. In 1848 bedroeg
de populatie ervan nog bijna 400.000 stuks en volgens andere bronnen zouden er
het rond 1870 zelfs meer dan 1.500.000 geweest zijn. In de negentiende eeuw
trokken grote kudden heideschapen over uitgestrekte ruige terreinen. De
voornaamste reden daarvan was dat de dieren mest produceerden. De schapen
vraten overdag van de vegetatie en werden ‘s nachts opgestald. De dieren
mestten in de stal. De herders mengden de mest met heideplaggen en verspreidden
het mengsel daarna over de schrale akkers.

De heidschnucke hoort thuis in het
rijtje van kortstaartige Noordwest-Europese schapen en heeft een kenmerkende
kop met lichtgebogen profiel. Dat ze weinig eisen stellen en tegen een stootje
kunnen heb ik wel gezien in een bitterkoude winter op het winderige Duitse eiland
Helgoland.

Het zijn tamelijk kleine
lichtgebouwde dieren met fijne poten met erg sterke hoefjes. De ooien wegen
ongeveer 45-50 kg en de rammen tussen de  60-75 kg. De schofthoogte varieert van 60 cm
voor de ooi tot 67 cm voor de ram. Zowel rammen als ooien zijn gehoornd. Bij de
ooien ziet men korte rechte horens. De 
rammen hebben prachtig gedraaide horens die groter worden naarmate ze
ouder zijn. De onbewolde lichaamsdelen zijn zwart. De jaarlijkse wolproductie
gaat van 2 kg bij de ooien tot 3,5 kg bij de rammen, de kleur is grijs
(Lüneburger heide) of wit (Oldenburger Münsterland). Op een leeftijd van 18
maanden kunnen de ooien voor de eerste maal gedekt worden, de bronst is wel
seizoensgebonden. Eerstejaars ooien laten zich niet altijd dekken, en als het
dan toch gebeurt is het meestal vrij laat, januari/februari. Ook bij de oudere
ooien is de bronst vrij laat in het seizoen, zodat de lammertijd meestal pas in
april begint. Ze hebben zeer goede moedereigenschappen en lammeren meestal
gemakkelijk af. De lammeren zijn zwart bij de geboorte, hun wol doet wat aan
die van de karakul denken en verkleurt gedurende hun eerste levensjaar. Pas na
de eerste scheerbeurt, als het dier ongeveer een jaar oud is, krijgt het zijn
kenmerkende grijze kleur. Helaas met de opkomst van kunstmest werden de
heideschapen overbodig.  Hun aantal nam
snel af. Ook werd er meer woeste grond omgezet in akkers en konden zo de arme
zandgronden productief worden voor de voedselvoorziening. Hierdoor werd de
schapenhouderij als mestvoorziening onbelangrijk. De neerwaartse spiraal werd daarnaast
ook nog eens versterkt doordat er productievere schapenrassen verschenen die
dit vrij primitieve ras verdrongen en ze werden met uitsterven bedreigd.
Gelukkig gaat het weer, wat de aantallen betreft, beter met de heidschnucke. Er
zijn veel liefhebbers van dit sierlijk schapenras. Niet alleen fokkers, hobbyisten maar ook op culinair gebied zijn er
nogal wat restaurants die deze delicatesse op hun menukaart hebben staan. Het
vlees van de heidschnucke smaakt naar wild en is zeer mals. Bij de heidschnucke
gaat het niet zo zeer om kwantiteit maar om kwaliteit van het vlees. Hun klanten weten
dit streekgebonden vleesgerecht dan ook zeer te waarderen.

De kudde van witte hoornloze  heidschnucke die achter mijn huis grazen is
het resultaat van een fokselectie uit de grijze variant van de heidschnucke
die ontstaan is in het begin van de jaren 1900. Bij deze vrij zeldzame variëteit
van de witte hoornloze heidschnucke zijn zowel de ooi als de ram hoornloos. Die
ochtend werd er ook een lammetje geboren en de navelstreng is nog zichtbaar. Zodra
het lammetje  eenmaal goed op de poten stond
 werd die al snel door zijn moeder aan de kudde voorgesteld.

Tegenwoordig maken we met behulp van de oude
rassen de ontwikkeling van de landbouw en veehouderij van de afgelopen eeuwen op levendige wijze
inzichtelijk. De schapen vormen zowel in cultuurhistorisch als in
visueel-landschappelijk opzicht een belangrijk element. Daarnaast krijgen de
dieren gelukkig weer meer waardering voor de belangrijke functie die ze kunnen vervullen
binnen het landschap- en natuurbeheer. Mede door hun grazende aanwezigheid in
heide gebieden zorgen ze ervoor dat het typische karakter van dit oude cultuurlandschap
in al zijn facetten bewaard blijft voor de volgende generatie.