Gemakspoep.

0
31


Aan de overkant van de rivier de Roer in het dorp Melick
hadden mensen mij uitgenodigd om eens te komen kijken naar hun schuur. Prima,
waarom ook niet? Na een hartelijk ontvangst met koffie aan de keukentafel
liepen we over het erf richting de schuur die dienst doet als onderdak voor de paarden,
tractor en opslag voor de nodige stro.  Zo
aan de rand van het Roerdal zijn alle redenen zichtbaar waarom hier al, ver
voordat de Romeinen hier een villa hadden gebouwd, van oudsher mensen wonen.
Hoog en droog beschermd tegen hoogwater van de rivier de Roer als die buiten
zijn oevers treed. Maar in normale omstandigheden heb je de vruchtbare rivierkleiakkers
en vochtige weilanden mooi binnen handbereik. 
Een aardige bijkomstigheid van het hoogteverschil van bijna 7 meter is
dat je vanuit het erf een schitterend uitzicht hebt over het Roerdal. Niet
alleen mensen vonden dit een prima stek. Doordat de bewoners de omgeving van
allerlei menselijke gemakken hebben voorzien zoals gebouwen en schuurtjes met rommelige
opslag, grasland en moestuinen compleet met mesthoop trekt dat ook allerlei zowel
gewenste als ongewenste dieren aan.

Al
lopend passeren in het gesprek allerlei dieren die hier voorkomen zoals Torenvalk,
Steenuil, Boerenzwaluw, Kerkuil, Muizen, Bruine rat, Ingekorven vleermuis, Mol,
Konijn, Vos en zelfs een Ree die met zijn kop verstrikt in de afrastering op
een zomerse dag  lag te stinken. Oude
bomen zoals Tamme kastanjes, Walnoten, hoogstamfruitbomen en Zomereiken die in
tuinen, kleine bosjes en rustige plantsoenen zoals het kerkhof zijn de groene
aankleding van de dorpsrand. En dan zien we een Eekhoorntje bij de buren over
het  dak rennen. Alles wat dieren in de
menselijke omgeving begeert is hier in de gevarieerde dorpsrand aanwezig. Eenmaal
in de schuur werd mij duidelijk wat ze mij wilde laten zien. Op de vloer voor
de hoogopgestapelde strobalen lag een grote concentratie van donkere keutels
(zie zwart pijltje). Door de afmeting, geur en hoeveelheid zijn deze onmiskenbaar
afkomstig van de Steenmarter (Martes foina). Door dichterbij te kijken vallen
vooral de gele restjes onverteerde maïs en de verschrompelde huid van valfruit
op. Naast plantaardig voedsel hebben ze een ruime voedselkeuze van dierlijke
aard, van insecten tot middelgrote zoogdieren en vogels (en hun eieren). Hoewel ze ook afval eten
van de composthoop bestaat het voedsel in hoofdzaak uit wild levende dieren en
planten afkomstig uit de omgeving van de schuilplaats. Ze hebben geen jachtwijze
die specifiek gericht is op een bepaald prooi. Een belangrijk deel van het
voedsel wordt dan ook eerder ‘toevallig’ gevonden tijdens de nachtelijke tochten
in hun leefgebied,waarbij vooral het gehoor en de reuk een belangrijke rol
spelen. Dit neemt uiteraard niet weg dat goede voedselplekken gericht meermaals
worden aangedaan. Zeker als er rijpend fruit zoals kersen, pruimen of valappels
zijn. Ook slaapplaatsen van overnachtende vogels zoals Huismussen in Klimop en
of graanzolders met muizen. Op het erf losbroedende kippen en kippenhokken die
niet goed voor de nacht zijn afgesloten kunnen bezoek krijgen van de
Steenmarter. Ze zijn gek op eieren, die doorgaans in hun geheel worden
weggedragen om op een rustige plek te worden genuttigd. Het verplaatsen van het
voedsel naar een rustige plek leidt er toe dat op de schuilplaatsen vaak een
heel scala aan prooiresten is te vinden. Het zijn bijzonder lenige dieren, die
uitstekend kunnen klimmen en zich letterlijk in allerlei bochten kunnen
wringen; een opening van nauwelijks 7-9 cm volstaat
om ergens binnen te dringen. De Steenmarter zoekt altijd warme schuilplaatsen
op die de buitentemperatuur kunnen bufferen. In de winter
worden daarom kunstmatig verwarmde plaatsen, zoals zolders en kruipruimtes van bijgebouwen,
verkozen. Bij het zachter worden van de buitentemperaturen worden deze
schuiloorden dan vaak weer geruild voor wat frissere plaatsen. Stapelruimtes van
hooi of stro zijn in het algemeen bijzonder in trek wegens de goede isolerende
werking van dit materiaal, zowel in de winter als in de zomer. Hier in de
schuur heeft hij ook in de opslag van stro zijn slaapplaats gemaakt.

Het rode pijltje geeft een van de ingangen weer. Deze nestlocatie
zit waarschijnlijk diep in de kern van de strobalen en heeft twee ingangen en
worden vaak door de Steenmarter met los stro weer dicht gemaakt. Een
Steenmarter maakt overigens in zijn leefgebied gebruik van een grote
hoeveelheid en verscheidenheid aan schuilplaatsen, die in een onregelmatige
volgorde en doorgaans telkens voor slechts korte periodes worden aangedaan.
Vrouwtjes met jongen verblijven uiteraard wel langere tijd op eenzelfde plaats.
Het feit dat Steenmarters hun intrek nemen in gebouwen doet, na verloop van
tijd, hier en daar problemen ontstaan. Zo kunnen de dieren soms schade
aanrichten aan dakisolatie, wanneer ze binnendringen in de ruimte tussen dak en
onderdak. Groter wordende latrines of zich opstapelende prooiresten kunnen een
enkele keer stankoverlast veroorzaken. De meeste klachten betreffen evenwel
lawaaihinder: het gestommel op zoldervloeren, met soms bijhorend nachtelijke
inbrekersgeluid van vallende of verschuivende voorwerpen, kan je danig op de
zenuwen werken. Elk nadeel heeft zijn voordeel. In het verleden hadden we
overlast van een Bruine rat op zolder. Na een explosie van Steenmarter
gestommel en een laatste doodskreet van de rat was dat gelukkig het einde van
de overlast. Soms hoor ik de dakpannen nog wel eens rammelen en maakt de
Steenmarter, via het dak, in de tuin zijn ronde. Ook hier in de stal van de
bewoners in Melick wordt de Steenmarter getolereerd. Het zijn tenslotte goede
opruimers van lastige knaagdieren. De grootte van het leefgebied bedraagt
doorgaans enkele honderden hectare. In gunstige voedselbiotopen volstaat 50-100
ha; in wat minder optimale gebieden kan dit oplopen tot 700 ha. Dit gebied
wordt intensief afgespeurd naar voedsel, waarbij per nacht gemakkelijk
trajecten tot 10 km en meer worden afgelegd. In landelijke omgeving maken Steenmarters
daarbij vooral dankbaar gebruik van bosjes, heggen, bermen, greppels, taluds en
mijden open terreinen als weiden en akkers. De grenzen van het leefgebied
worden, vooral in de paartijd tijdens de zomer, intensief gemarkeerd met een stofje
uit de anaalklieren. Uitwerpselen worden dus niet aangewend om
territoriumgrenzen aan te geven. Daarom vind je ook zo'n concentratie van poep
zoals in de stal.  U zult zich wel
afvragen wat ik met de titel bedoel. Nou dat zit zo……………..Nee, dat
vertel ik niet!!!! Het is nu gewoon een onderonsje tussen de bewoners en mij geworden
waar we samen hartelijk om hebben kunnen lachen. Ik zag de film helemaal voor
mij met die gemakspoep.