Eigen weg.

0
48

Wandelen op auto vrije asfaltweg in het Reigersbroek is altijd leuk. Hoe goed je het pad ook kent het wordt juist veel leuker als je ook weer iets onverwacht vindt in dit steeds fraaier wordende natuurgebied van de Stichting het Limburgs Landschap. Vorig jaar had ik hier in de berm alleen maar verdorde stelen met kleine stekeltjes gevonden en er stonden een paar groene plantjes bij.

Ik had zo wel mijn vermoedde maar soms is weten niet alleen meten ook een kwestie van geduld hebben. Na bijna een jaar "wachten" is mijn geduld beloont. De plantenstreeplijst van het Reigersbroek is weer een soort rijker geworden met de Kleine kaardenbol (Dipsacus pilosus). Met zijn afmeting van 60 cm tot 1,2 meter valt hij wel op. De rechtopstaande stengels zijn bezet met stugge, stekende borstelharen en vaak zijn ze wat bossig vertakt. De rozetbladeren hebben een lange steel. Ze zijn eirond, staan schuin omhoog gericht, zijn behaard en hebben een gave rand. De stengelbladeren zijn gesteeld en aan de voet niet vergroeid zoals de Grote kaardenbol (Dipsacus fullonum). Wel hebben ze daar vaak 2 oortjes. In juli en augustus verschijnen de opvallende bloeiwijze. De bloemhoofdjes zijn bolvormig, geelwit of roomwit en 1½ tot 2½ cm groot. Voor de bloei knikken de bloemen. De schutbladen en stroschubben zijn ongeveer even lang als de bloemen. De witte bloemen met de opvallende donkerpurperen helmknoppen worden vooral bezocht door hommels, in het bijzonder door akkerhommels. Maar ook zweefvliegen zijn er zeker niet vies van.

Over het algemeen is het een tweejarig plant maar kan ook wel eens een paar jaartjes ouder worden. In de late herfst en winter kunnen de kogelronde, stekelige vruchthoofdjes, die gemakkelijk loslaten van de stengel als klit worden verspreid en meelift in bijvoorbeeld de vacht van een passerende grote grazer. Je kunt ze op verschillende soorten groeiplaatsen tegenkomen zoals in bossen (open plekken in loofbossen, beek- of rivierbeleidende bossen en populierenaanplantingen), bosranden, struwelen, kapvlakten,  langs spoorwegen, open dag kalkgroeven en steile hellingen. De Kleine kaardenbol groeit in half beschaduwde tot licht beschaduwde, min of meer open plaatsen op vochtige, matig voedselarme tot matig voedselrijke, kalkhoudende, humeuze grond. Op grote en kleinschalige kapvlakten komen voedingsstoffen vrij door inwerking van het licht op strooisel. Daar kan de Kleine kaardenbol massaal voorkomen. Wil kem zoals ze die in Zuid-Limburg noemen kan hier vrij talrijk zijn, maar verder noordelijk van Nederland komt hij nauwelijks voor. Vroeger was hij ook soms te vinden in het gebied van de grote rivieren en duikt zo nu en dan hier nog wel eens op. Vanwege zijn zeldzaamheid staat hij op de Rode Lijst. Voor Midden-Limburg is de Kleine kaardenbol een echte zeldzaamheid en de vindplaatsen zijn op een hand te tellen. Als beheerder van dit gebied heb je dan toch een bepaalde verantwoordelijkheid. Met een beetje zacht randbeheer moet het mogelijk zijn om deze bijzondere soort voor het gebied te behouden. Toch wel leuk als je weer eens iets nieuws vindt in het Limburgs landschap. Dat krijg je gratis erbij als je even je eigen weg loopt.