Duivels struiksel.

0
17


Lopend over de Elspeetsche Heide hoor ik hoe druk de
roodborsttapuiten bezig zijn. En dan plotseling lig ik languit in de hei. Al
vragend: waar ben ik overheen gestruikeld?, zie ik alsof ik de duivel op zijn
staart trap, een draadachtig plantje. Het is klein warkruid (Cuscuta epithymum). Vanwege de rode en/of paarsachtige sterk vertakte stengels die draaddun en in elkaar verward zijn wordt deze plant in de volksmond ook wel duivelsnaaigaren genoemd en op z’n Veluws: duvelsnèigoarne.  Als je de betekenis van zo’n naam op je laat inwerken, bedenk dat men vroeger iets vreemds, opvallends of onverklaarbaars al gauw aan de duivel toeschreef. Geen wonder dat men het liefst zo weinig mogelijk mee te maken wilde hebben.

De parasiet begint als een normale ‘aardse’ kiemplant en groeit
naar de hemel.  Als de warkruidstengel in
aanraking komt met de stengel van een geschikte gastheer begint hij zich
daaromheen te draaien. Met boorwortels dringt de parasiet zowel de houtvaten
als de bastvaten van de waardplant binnen. Als de plant na verloop van tijd
voldoende voedingsstoffen uit de gastheerstengels kan halen, wordt het contact
met de aarde verbroken. Het is in het belang van de parasiet om zuinig met de
symbiont om te gaan. Als er teveel voedingsstoffen onttrokken worden, gaat de
gastheer dood. Dat betekent dan ook het einde van de parasiet. Daarom vertakken
de stengels van klein warkruid zich en kunnen zelfs meerdere planten worden
aangeboord. Vandaar ook zijn latijnse voornaam Cuscuta. Dat komt van het
Griekse woord kassutoo wat herstellen betekend. Dit slaat op het feit dat
warkruid verschillende planten onderling verbind met zijn draden.
Een parasiet is een klaploper, een profiteur. Parasiteren klinkt negatief, althans in de mensenmaatschappij. In de natuur is het echter een normaal verschijnsel. Het is een samenlevingsvorm waarbij de parasiet profiteert van de gastheer. In de meeste gevallen van parasitisme wordt er maar matig afgenomen, zodat de vitaliteit van de gastheer er nauwelijks onder lijdt. Klein warkruid is in tegenstelling tot bijvoorbeeld maretak een echte parasiet. Maretak is een halfparasiet. Dat klinkt mild en zo is het ook. Halfparasieten zijn in tegenstelling tot de echte parasieten, wel in het bezit van bladgroen. Dat is een voorwaarde om te zorgen voor de eigen voedselproductie. Maretak boort houtvaten op de stam aan, waaruit ze water en voedingszouten onttrekken. Er zijn ook halfparasieten zoals ratelaar en hengel die ontrekken water en minerale voedingszouten stiekem ondergronds uit de wortels van andere planten.

Klein
warkruid bloeit en als je vlak met je neus er toch bij ligt ruik je een
weezoete geur. De bloemen vormen dichtbloemige, ronde kluwens. Ze zijn
klokvormig, rozewit, 5-tallig en 3 tot 4 mm groot.  Verder hebben ze afstaande, eironde, slippen.
De kroonslippen zijn toegespitst, tongvormig en regelmatig gewimperd. Ze liggen
tegen het vruchtbeginsel aan. In net geopende bloemen zijn de 2 stijlen en de
draadvormige stempels langer dan het vruchtbeginsel en steken dan buiten de
kroon uit.  In de maanden juni tot en met
september is de bloeitijd. Op een plant kun je daarom ook al doosvrucht aan
treffen. De vruchten zijn bolvormig, soms iets afgeplat en ongeveer 2 mm lang.
De zaden zijn langlevend. Klein warkruid heeft zonnige, open plaatsen op droge,
voedselarme, kalkarme tot kalkhoudende zandgrond nodig. Deze stengelparasiet
woekert het meest op Struikhei (Calluna vulgaris). Daarbij heeft hij voorkeur om op jonge heide op
plagplekken, gemaaide of heide die opnieuw uitloopt na brand te groeien. Zelf
heb ik ze ook wel eens op Dophei gevonden. Op kalkhoudende grond heeft klein
warkruid voorkeur voor Geel walstro, Grote tijm en Gewone rolklaver. Klein
warkruid komt voor in de gematigde en warmere streken in Europa voor. Daarnaast
in West-Azië en in Noordwest-Afrika. In ons land is klein warkruid in het
oosten en midden van het land zeldzaam. In de duinen en in Zuid-Limburg zelfs
zeer zeldzaam. De trend sinds 1950 is dat deze plant zeer sterk is afgenomen. Dit
komt vooral doordat areaal en geschikte heideterreinen in de loop van de 20e eeuw in rap
tempo zijn verdwenen en  is klein
warkruid zo hard achteruit gegaan, dat hij momenteel als ‘kwetsbaar’ op de Rode
Lijst is opgenomen. Daarom des te leuker om deze bijzondere parasiterende plant
op de heide aan te treffen ondanks mijn duivelse struikel.