Dubbel genieten.

0
79

Bij
het kijken naar de lepelaars bij het Zeeuwse natuurontwikkelinggebied
Noordervroon zie ik bij mijn voeten een oude bekende staan.  Uit het grijze verleden kon ik mij deze plant
nog herinneren. Er stonden een aantal exemplaren van dubbelkelk (Picris echiodes)
in de Zuid-Limburgse Julianagroeve. Een jaartje later heb ik ze ook nog eens
gezien bij Haanrade langs de schitterende wilde rivier de Worm. Daarna
heb ik ze nooit meer in (Zuid-) Limburg gevonden.  Het was dus wel een klein feestje van
herkenning.

De
voornaam Picris is afgeleid van het Griekse pikros (bitter), omdat de plant
inderdaad bitter smaakt. De achternaam Echioides betekent stekelachtig. Ook dat
klopt. De stengels zijn stekelig behaard, vaak over een groot deel vertakt en
zigzagsgewijs heen en weer gebogen.  De
langwerpig omgekeerd-eironde bladeren zijn naar beide kanten geleidelijk
versmald. Ze hebben een spitse driehoekige top en een verwijderd getande rand.
Soms zijn ze veel dieper gespleten. De onderste bladeren hebben een steelachtig
versmalde voet. De hogere bladeren hebben een stengelomvattende voet.  Een deel van de stekelharen staat op
witachtige, van onderen holle bultjes. De plant wordt  30 tot 60 cm hoog en is eenjarig maar kan ook
tweejarig zijn. Het opvallendste kenmerk is toch wel dat de bloem in een
dubbele kelk staat. Vandaar ook de Nederlandse naam.  De Friezen noemen deze dan ook toepasselijk
dûbeltsjelk.

De opvallend goudgele bloemen
die je kunt zien in juli, augustus en september lokken veel insecten aan.
Dubbelkelk komt oorspronkelijk uit Zuidwest-Azië, Noord-Afrika, Zuid-Europa en
Zuidwest-Europa. Maar de plant is al voor 1500 ingevoerd als cultuurplant en
vandaar uit ingeburgerd in West- en Midden-Europa en in Noord- en
Midden-Amerika.  (archeofyt. In Nederland
is dubbelkelk plaatselijk in Zeeland en in aangrenzende gebieden vrij algemeen.
In  Zuid-Limburg en in het rivierengebied
is dubbelkelk
een vrij zeldzaam verschijning. Buiten deze gebieden wordt dubbelkelk waarschijnlijk  aangevoerd met luzerne- of klaverzaad en is
hier zeldzaam of zelfs ontbrekend. Eerst stond deze plant nog op de Rode lijst
in 2012. Nu is die iedergeval niet meer bedreigd. De trend sinds 1950 is zelfs
stabiel of toegenomen. Dubbelkelk heeft een zonnige, warme, open plaatsen op
vochtige, matig voedselrijke, stikstofrijke, kalkhoudende grond (klei, zavel en
zand) nodig. De groeiplaatsen variëren van ruig grasland, bermen, dijken
met  open plekken, omgewerkte grond, kalkrijke ruigten, ruderale
plaatsen, langs stortterreinen, langs beken, graanakkers, luzernevelden, oude molshopen
en bij toegangspoorten van natuurgebieden zoals hier bij  Noordervroon.

Naast de nectar-,
stuifmeelzoekende insecten leeft er op 
de dubbelkelk nog een gespecialiseerde  gast namelijk de dubbelkelkbladroller
(Cochylis molliculana). Dit is een klein vlindertje uit de familie bladrollers
(Tortricidae). De wetenschappelijke naam is voor het eerst geldig gepubliceerd
in 1847 door  Philipp Christoph Zeller
(1808-1883). Hij was een Duitse entomoloog en een autoriteit op het gebied van
kleine vlinders (microlepidoptera). De vleugelspanwijdte van dit vlindertje  is 11 tot 15 millimeter. Determinatie is alleen
mogelijk na microscopisch onderzoek. De rupsen leven op en in de bloemhoofden
van de dubbelkelk. Deze soort komt voor in Europa (Groot-Brittannië, Frankrijk,
Spanje, Italië, Kroatië, Griekenland en Cyprus) maar is in Nederland, zover we
weten, super zeldzaam. In 2009 werd deze soort bij Alkmaar (Noord-Holland) en
in 2014 bij  Jubbega (Friesland) op een
doek van een lichtval gevangen. En als je die twee soorten samen op een plek in
het veld  zou aantreffen is dat dubbel genieten.