Altaar(doorn)appel.

0
8



Tussen de
regenbuien door schijnt een mager zonnetje en dan kan ik even droog met de hond
in het landgoed lopen. In de akker met de Cichorei valt mij een ongeveer 80 cm
hoge plant op. Voorzichtig loop ik tussen het gewas door om niks te
beschadigen. Deze plant komt me zeer bekend voor en ken deze plant vooral met
witte bloemen maar blijkbaar is er ook een blauwe versie van de Doornappel
(Datura stramonium).

De bladeren zijn vrijwel kaal, eirond tot elliptisch,
spits en hebben meestal forse tanden. Bij aanraking stinken de ongeveer 20 cm
grote bladeren. De bloeitijd van Doornappel is van  juni t/m september.  De recht afstaande, witte en zelden licht
paarsachtige bloemen groeien in de bladoksels op korte stelen. Ze worden 5 tot
10 cm lang. Ze zijn trechtervormig met 5 spitse slippen. De meeldraden blijven
binnen de omhulling van de kroonbuis. De kelk is bleekgroen, vrijwel buisvormig
en aan 5 kanten geplooid. Er is ook een kenmerkende doosvrucht aanwezig. De
rechtopstaande, stekelige, eivormige doosvruchten worden 4 tot 7 cm lang. Een
zaaddoos bevat tussen de 100 – 800 grote zwarte niervormige platte, giftige
zaden. Doornappel is inheems in
Noord-Amerika van Mexico tot Zuidoost-Canada, maar is al vroeg na de ontdekking
van dit continent in Europa verspreid. Linnaeus beschreef de plant wetenschappelijk in 1753. Kruidenkenners zoals de
Engelse Nicholas Culpeper (1616-1654) beschreven de plant echter al een eeuw
eerder. In 1577 werd de
soort al in Spanje  vanuit Mexico ingevoerd. In Nederland begon de inburgering
begin 1700. Nu komt de plant voor in alle werelddelen, in gebieden met een
gematigd of warm klimaat. De plant komt tegenwoordig in Nederland vrij algemeen
voor op mesthopen in moestuinen,
tuinen, bouwland, akkers,
zeeduinen, voedselrijke ruigten, hellingen, omgewerkte grond, braakliggende
grond, plantsoenen, ruderale plaatsen, waterkanten zand- en grindstrandjes
langs rivieren, vuilstortterreinen, gestort bouwpuin, ruiterpaden (met name in
de duinen) en soms ook bij rolplaatsen van grote grazers. Als voorkeursgroeiplaatsen
voor Doornappel komen zonnige warme groeiplaatsen en als de bodem van droge tot
vochtige, voedselrijke tot zeer voedselrijke, omgewerkte, vaak kalkhoudende
grond in aanmerking. Doornappel is
een plant uit de nachtschadenfamilie (Solanaceae).

Het is een zeer giftige
plant die hallucinogenen alkaloïden bevat. In hun oorspronkelijke verspreidingsgebied
werden de zaadjes door de Noord-Amerikaanse Indianen gebruikt om hallucinaties
op te wekken. Vooral als overgangsritueel van kind naar volwassenheid.
Omdat dit bij overdosisering  niet
ongevaarlijk is vonden deze rituelen plaats onder leiding van ervaren sjamanen. Dit is vooral gevaarlijk omdat de giftigheid nogal varieert
van welk deel en in welk stadium van groei de plant zich bevindt. Geen wonder
dat er voor het godvrezende volk een sterk
christelijk getint mythe als
waarschuwing vertelt werd
van de prachtige doornappelboom die in het paradijs groeide. Toen de slang Eva
had verleid tot het eten van de verboden vrucht, sprak God een vloek over hem
uit. De slang kronkelde om de toen nog prachtige doornappelboom en
verontreinigde deze. Hierdoor werd de doornappelboom steeds kleiner, totdat het
een kleine plant was geworden. De appels draagt hij nog steeds. De stekels
verbeelden de tanden van de slang waaraan hij zijn lot heeft te danken. Maar ondanks het wijzende vingertje wordt zelfs nu nog
de Doornappel gebruikt door recreatieve drugsgebruikers. Dit resulteert vrijwel
altijd in een bad trip, maar ieder zijn ding. Een veiliger toepassing van de Doornappel is dat ze
gekweekt worden om in de gedroogde vorm te worden gebruikt voor droogboeketten.
Zo zag ik tijdens een fietstocht bij een kerkbezoek op het altaar een
boeketje staan van gedroogde Doornappels! Dat deed mij deugd, is het verhaal
voor de Doornappel toch nog goed afgelopen.