Slavoj Zizek (1949) over Spinoza en (Franse) spinozisten

0
308

Žižek is een Sloveense marxistische socioloog, filosoof, psychoanalyticus en cultuurcriticus – een van de meest provocerende denkers van deze tijd met een flamboyante persoonlijkheid en sterk polemische debatstijl. Hij is filosofieprofessor en sociologische onderzoeker aan de Universiteit van Ljubljana, zijn geboorteplaats in Slovenië.

Hij werd vooral bekend door zijn gebruik van de theorieën van Jacques Lacan, waarmee hij de populaire cultuur interpreteert; hij combineert deze analyse met zijn marxistische achtergrond in een radicale kritiek van het kapitalisme. Hij becommentarieert recente gebeurtenissen – zo schreef hij een boek over de Irakoorlog, waarin hij de ideologische motivering van die oorlog kritiseert: The Borrowed Kettle.

Hij schreef ook over Spinoza, niet als aanhanger of volgeling, maar leest hem vanuit Hegel en Lacan. Hij voelt weinig voor wat hij omschrijft als de ‘modieuze terugkeer tot Spinoza’ en hij levert kritiek op Spinoza-lezingen van hedendaagse, vooral Franse spinozisten en levinasisten die volgens hem een ‘radicaal anti-Hegelianisme’ laten zien (alsof Hegel, gecorrigeerd door Marx dan, het helemaal is).

In de ‘Introduction: Dialectical Materialism at the Gates’ van The Parallax View schrijft hij over Spinoza: [..] although Spinoza criticized the Cartesian cogito, he criticized it as a positive ontological entity—but he implicitly fully endorsed it as the “position of the enunciated,” the one which speaks from radical self-doubting, since, even more than Descartes, Spinoza spoke from the interstices of the social space(s), neither a Jew nor a Christian.

Spinoza is, in effect, the “philosopher as such,” with his subjective stance of double outcast (excommunicated even from the community of the outcasts of Western civilization); this is why we should use him as a paradigm that enables us to discover the traces of a similar displacement, a communal “out-of-joint,” with regard to all other great philosophers, up to Nietzsche, who was ashamed of the Germans and proudly emphasized his alleged Polish roots. For a philosopher, ethnic roots, national identity, and so on, are simply not a category of truth—or, to put it in precise Kantian terms, when we reflect upon our ethnic roots,we engage in a private use of reason, constrained by contingent dogmatic presuppositions; that is to say,we act as “immature” individuals, not as free human beings who dwell in the dimension of the universality of reason.This, of course, does not in any way entail that we should be ashamed of our ethnic roots; we can love them, be proud of them; returning home may warm our hearts—but the fact remains that all this is ultimately irrelevant.We should act like Saint Paul who, while he was proud of his particular identity (a Jew and a Roman citizen), was nonetheless aware that, in the proper space of the Christian absolute Truth, “there is neither Jew nor Greek.” . . .The struggle which truly engages him is not simply “more universal” than that of one ethnic group against another; it is a struggle which obeys an entirely different logic: no longer the logic of one self-identical substantial group fighting another group, but of an antagonism that cuts diagonally across all particular groups." [van hier]