O, mochten ‘stomme’ schilderijen toch kunnen spreken…

0
35


haec omnia, quae uno obtutu, tanquam in picturâ, videri debent
[al deze dingen die men als op een schilderij in één blik moet overzien
Benedictus de Spinoza, Renati Des Cartes principiorum philosophiae, 
Prologomenon, vert. F. Akkerman]


Behalve deze passage aan het begin van deze PPC is er nog een
aan het eind van de Cogitata Metaphysica waarin Spinoza naar schilderijen verwijst. Die laatste
laat ik hier rusten, maar komt overeen met de manier waarop Spinoza in de Ethica over schilderijen spreekt. Op
vier plaatsen in de Ethica gebruikt
Spinoza in zijn argumentatie een beeld van schilderijen. Van belang is te
beseffen dat hij daarbij geen esthetische theorie over schilderkunst
ontwikkelt, maar een theorie over denken en kennen. [In het volgende werk ik
met vertalingen van Henri Krop]


ideam quid mutum instar
picturae in tabula
[Ethica 2/43s] 
Een waar idee hebben, betekent immers niets anders dan iets volmaakt of iets
juist kennen. Hier kan alleen iemand aan twijfelen die meent dat
een idee iets doods is, zoals een schilderij op een paneel
, en niet een modus van denken, ja het
denken zelf is.