Een scherpe Losse Flodder

0
4
Met deze Losse Flodder wil ik de achteraf meest heftige beschrijven.
In de zomer van 1944 werd mijn moeder zwanger. Het is niet aan mij om daarom kritiek uit te oefenen op mijn ouders. Ik heb ook geen idee, wat de wetenschap, dat onze voedingsmogelijkheden tot het minimum zouden schrompelen, uitgemaakt zou hebben. Maar we hadden het al slecht en konden het met onze beperkte extra middelen tot nog toe uithouden.

Het resultaat was wel, dat alles wat nog enigszins eetbaar was naar mijn moeder, die bedlegerig was, ging. Mijn vader spande zich nog eens extra in. Gelukkig kenden een aantal boeren onze familie vanuit de kerk, waar mijn vader op zijn beurt moest rondgaan, de gemeenschap van geld te voorzien. Dat mijn moeder dan met zwellende buik aan zijn zij de kerk binnen kwam, oogstte in die dagen nog minstens ontzag.

 
Vandaar dat pa bij zijn bezoeken aan de boerenhoeven rondom de stad wat minder hard hoefde te praten om toch wat graan, of een stukje van het clandestien geslachte varken mee naar huis te krijgen.  Voor de melk en de door het jaargetijde bestemde groente mocht ik nog verantwoordelijk zijn.
Jawel, ook in de winkels konden we nog wat eetbaars weghalen, maar dat was niets meer dan het eerder en nu bekende veevoeder.
 
Op de eerste plaats de suikerbieten. Op het terras in de tuin stond een oude tafel en in een bak de bieten voor die dag. mijn broers en ik moesten die schoonmaken. Als was het knolraap. Eerst de klei eraf. Weegt lekker mee bij het betalen! Dan de schil eraf en de bieten eerst in plakken en dan in repen snijden. Dan alles in een emmer en de emmer op ons mooie, oude, grote fornuis. Als de boel goed gekookt was, dan werd de stroop van de bieten gescheiden. Dan werden de pulpkoeken van gebakken. En kreeg ieder zijn portie. De stroop werd op de ene, kleffe boterham, die volgens het distributiesysteem ons deel was, en op die koeken gesmeerd.
 
Het vocht werd aangeleverd met de gaarkeuken-soep. Omdat we toen met z’n dertienen waren, was het wel een emmer vol. En dat betekende, dat wij een grote kans hadden de twee aardappels, die erin moesten drijven, in onze emmer aan te treffen. De bekende vetringetjes, die aan het oppervlakte dreven, waren afkomstig van een soort surrogaat aromablokjes.
 
In het voorjaar van 1945 kregen we weer het heerlijks, dat we een jaar eerder hadden leren kennen. Bloembollen, die als uien werden »gebakken« in surrogaat vet. Wist u, dat hyacinten-bollen ook naar hyacinten smaken ? Dit typende, krijg ik nog die gore rotsmaak in de mond. En wanneer me nu een madam voorbijgaat, die een hyacintenparfum gebruikt, dan moet ik maken dat ik weg kom, om niet ter plaatse te kotsen.
 
Je kunt nu denken >wees dankbaar, dat je dat nog had, je had het niet overleefd<
 
Mijn moeder had er boven in haar kamer weinig weet van. De lucht van gebakken vlees trok via de trap wel naar boven. Zeer geruststellend.
Deze drama-komedie ging goed tot twee dagen na de geboorte van mijn jongste broertje. Er kwam een tante op kraamvisite. Toen die even alleen gelaten werd door mij vader, was ze zo onhandig tegen mijn moeder op te merken
>>Eigenlijk wel erg, hé, dat ze beneden nu net helemaal zonder eten zitten<>Zonder eten kan ik niet werken<<. En pa ging naar de kast, zette een bord voor de man op tafel in de huiskamer en de emmer met gaarkeukensoep er naast. Er bleef weinig van over. Maar geen mens, die er iets van durfde zeggen. Terwijl mijn vader wanhopige en nutteloze pogingen ondernam mijn moeder tot bedaren te brengen. En de ramp was nog niet compleet! Door alle emotie kreeg ze ontsteking in de borsten en had zo zelf geen voeding meer voor de kleine.
 
Ik kon het niet meer aanzien. Er lag wat sneeuw en ijs op straat. Ik ging het pad langs, dat onze poldervaart als dijkje diende. Na een kilometer of twee, buiten de stad lag een boerderij tegen dat dijkje. De stal was er bijna in gebouwd. Buiten lag een deel van de bietenoogst. Gebruik makend van het vroege donker, liet me op mijn buik in de sneeuw zakken en probeerde niet naar de hond te luisteren, die een eindje verder flink te keer ging. Met een oud zakmes begon ik de bieten los te steken uit het ijs. Na de derde was ik zo door en door koud, dat ik ze in een meegebrachte zak deed en eerst naar de kade terug sloop. Daar zette ik het op een lopen. eerst om wat warm te worden. En ik moest ook weer voor spertijd, om 8 uur thuis zien te geraken. Dat lukte. De volgende dag werden de drie bieten, volgens de beschreven regels geslacht. En er was weer wat te eten.  Nee, nee ! Wat anders nooit gebeurde, de dokter kwam langs, om te zien alles goed ging met de baby. Maar niet, nadat hij zich weer te goed gedaan had aan onze soep. En we moesten het dus met die bieten en wat nieuwe tulpenbollen doen.
Vier maanden eerder was ik dertien geworden.