Een publieke ramp

0
3
Wie in een oorlog niet persoonlijk getroffen is door een verlies, gevangenschap, vervolging zegt meestal, dat hij en zij het >er goed afgebracht hebben<.
In onze directe familie is niemand gestorven door oorlogsgeweld. Niemand van ons heeft ooit gevangen gezeten. Zo is er ook niemand persoonlijk vervolgd geweest.
 
Natuurlijk zijn er vaak spanningen geweest. Maar dan hebben we soms ook geluk gehad.
Mijn vader kreeg, toen met 5 kinderen een »pasje«, dat hij niet in Duitsland hoefde gaan werken. Met vier zonen zorgde hij op zijn wijze tot het >instandhouden van een toekomstig leger<! Een kwestie dus van je mond houden en dit soort »voordelen« gebruiken.
Met zijn textielzaak had hij ook het recht op een zg »transportfiets«. Hij moest tenslotte zijn klanten kunnen bedienen. Maar voor ons betekende dit vervoermiddel een waardevolle mogelijkheid allerlei etens- en drinkenswaren aan te slepen. Hoewel de mogelijkheid tot deelname aan een hongertocht ontbrak.

Want dat was voor ons het belangrijkste gevolg van de oorlog. Het gebrek aan voedsel. En het zou ook de oorzaak worden van menig »ongemak« lang na het einde van de oorlog.
Een doorslaggevende rol vervulde de winkel – met haar zelfs geminimaliseerde inhoud – in ons eten.
Wat we normaal kregen naar ons bonnenstelsel stelde niet veel voor. Het brood leek op gedroogde honden-drollen. En de soep uit de gaarkeuken zag er meer uit als ongezuiverd water, dan als voedsel. We hadden met ons grote gezin recht op een emmer vol van dit spul. Onze inwonende opa had de taak op zich genomen iedere dag naar het uitdeelpunt te gaan.
Later bleek ook waarom en was daarmee de reden van een enorm ingrijpende familieruzie.
Al spoedig trok mijn vader erop uit om bij zijn buitenklanten, die hij voor de oorlog, met de zelfde fiets, regelmatig bezocht. Waren de boeren toen zijn klanten, aan wie hij graag verkocht. Nu werd hem de rol van bedelaar opgedrongen.
Al vroeg na mei 1940 kwam hij bij een boer met de vraag of die hem aardappelen wilde verkopen. De man schudde zijn hoofd. Mijn vader vroeg >Heb je ze dan niet?, waarop de man hem mee nam naar de zolder boven de koestal. De hele vloer van die zolder was een grote massa aardappelen.
>Daar wil je me toch wel wat van verkopen? vroeg pa.
>Je mag terugkomen, wanneer ik ze echt ga verkopen. Voor ƒ 2,50 per stuk !
Dat was destijds het uurloon van een geoefend werkman. En mijn vader kon gaan.
Later eiste men van hem, dat hij naast de betaling ook textielwaren verstrekte. Uiteraard zonder de noodzakelijke distributie-punten. Toch was dit ook niet altijd de oplossing.
Toen mijn moeder in verwachting was van mijn jongste broer kwam hij bij een boer, van wie hij wist, dat die clandestien slachtte. Die ging er niet op in, waarop ook daar mijn vader textiel »aanbood«. De boerin begon te schaterlachen, nam mijn vader mee naar de slaapkamer waar een grote ouderwets kleerkast stond. Zij vroeg hem om de deur open te maken. De andere deur vloog ook open en een groot deel van de kamervloer werd bedekt met lakens, slopen, hemden, onderbroeken, hand- en baddoeken enz. Het puilde letterlijk de kast uit.
>Je ziet, sprak de vrouw > wij kunnen zelfs onze kinderen zo een huwelijksuitzet meegeven.
En mijn vader kreeg zelfs geen aardappel of zo mee!
Maar er waren natuurlijk ook andere boeren. Zo was er een waar we jarenlang iedere dag twee liter melk konden halen. Flessen meebrengen en achter op het fietsje verpakt in een stuk vilt. Dat tegen breken en tegen nieuwsgierige ogen beschermde. Wat ik daarmee kon beleven wordt in een aparte Losse Flodder verteld.
Maar na de invasie in Frankrijk gebeurde iets ernstigs. Het duitse leger kwam op het idee het de Engelsen (*) moeilijker te maken. De boeren moesten hun vee van het land halen en al het weidegebied werd vol gezet met, ik schat nu, 3 meter hoge palen. Ter aanvulling werd dan nog hier en daar de polder onder water gezet. Dit was >>tegen de parachutisten<<!
Maar hiermee werd het voor de boeren niet gemakkelijker. Voor ons vertaalde zich dat in de verplichting >>voor iedere liter melk 10 kilo veevoer mee te brengen<<. Dat mochten dus bieten-schillen, aardappel- en fruitschillen zijn. Enfin, alles wat nu »gescheiden« wordt ingezameld.
Ondanks onze grote familie kwamen we niet aan de noodzakelijke 20 kilo per dag. Dat leidde tot de meest idiote situatie. Mijn vader moest bij een klant met textielwaren betalen, om dat twee keer in de week een zak met »groen-afval« te krijgen. Om het nog moeilijker te maken woonde deze kant aan de andere zijde van de rivier, midden tussen de fabrieken. Daar waren voor het personeel-vervoer twee aanlegplaatsen, die onze veerboor aandeed. Zo werden de voetgangers en fietsers zo dicht mogelijk bij hun werk afgezet.
De klant woonde dicht bij een van de steigers en met enig geluk kon ik met de zelfde pont weer terug varen.

Een dag ging het heel erg fout. Wat ik niet tevoren wist was, dat onze boot naar Rotterdam moest om bij het bevoorraden van duitse schepen te assisteren. Daarom werd maar een steiger aangedaan voor ze naar Rotterdam doorvoer. En dat was niet de steiger waar onze schillen-leverancier woonde. Aan boord hoorde ik wat te doen was. Na het afmeren racede ik om de haven heen, pakte de zak schillen (20 kg) achter op het fietsje en weer terug. Maar de pont was al weg. Ik weet dat het miezerig weer was, maar niet echt koud. Er was een betonnen abri, maar zwaar verwaarloosd. Zonder bankje of wat ook. Ik was er om half tien. Zette de fiets weg, de zak schillen er tegenaan en ik ging op een betonnen hekje zitten wachten. Zonder enig vertier dan naar de langs varende boten en scheepjes te kijken.  En dat bleef zo totdat om vijf uur ‘s middags de pont weer terug kwam. Zo bleef ik, zonder eten, zonder drinken, alleen met mijn zak schillen.

Om zes uur was ik thuis. Kreeg wat kwassie-thee te drinken en wat te eten. En toen naar de boer met de 20 kg schillen. Voor de melk.Die was ook al kwaad, dat ik zo laat was. Onder deze omstandigheden mocht ik wat later 13 jaar worden.