De ‘vork van Jonathan Israel’ op de ‘vork van David Hume’ genomen

0
99

In het zomernummer van Filosofie & Praktijk neemt Ton Vink de Verlichtingstrilogie van Jonathan Israel op de beroemde vork van David Hume. Het maken van onderscheid tussen uitspraken die ‘matters of fact’ uitdrukken en uitspraken die ‘relations of ideas’ uitdrukken staat bekend als ‘de vork van Hume’. Als een bewering noch op de ene noch op de andere tand van die vork past, betreft het slechts een holle frase, gespeend van elke betekenis. En die kunnen we missen – op de mestvaalt ermee. Dit gold volgens Hume vooral de theologie en de traditionele metafysica en daar wilde hij een eind aan maken. De beroemde laatste woorden van zijn eerste Enquiry gaan daarover: "When we run over libraries, persuaded of these principles, what havoc must we make? If we take in our hand any volume of divinity or school metaphysics, for instance; let us ask, Does it contain any abstract reasoning concerning quantity or number? No. Does it contain any experimental reasoning concerning matter of fact and existence? No. Commit it then to the flames: for it can contain nothing but sophistry and illusion.” [David Hume, Enquiry concerning human understanding, 1758, sect. XII, dl. III -§ 132]

Vink wijst erop dat Israel in zijn werk over de Radicale Verlichting (met Spinoza in de hoofdrol) eveneens zo’n vork hanteerde, n.l. die van de twee takken van de Verlichting die hij onderkende: een radicale en een gematigde. In Nederland zag hij de radicale wortels van de Verlichting groeien: "The seditious business of reworking Descartes's duality of substances, extension, and mind into a one-substance materialism – the realm of the physical – subjecting the entire cosmos to the rules of mechanical cause and effect, rules which authentic Cartesians applied to bodies but not to the realm of the spiritual, began in the 1650s and 1660s, at Amsterdam and Leiden". Een ontwikkeling die vooral doorwerkte in La Mettrie en de andere Spinosistes.