Dat van Spinoza was geen ontologisch godsbewijs [3]

0
57

Mijn korte serie over de kwestie
dat Spinoza's godsbewijs ten onrechte als een 'ontologisch bewijs'
werd (en wordt) getypeerd, wil ik afronden met dit derde blog, waarin
ik wil laten zien dat de argumentatie van Kant tegen wat hij als
eerste typeerde als 'ontologisch bewijs voor het bestaan van God'
niet kon slaan op de argumentatielijn van Spinoza. Zodat het des te
meer onbegrijpelijk is dat er later over geschreven werd alsof dat
wel gold. Zo bijvoorbeeld in het volgende lemma:

"SPINOZA nimmt das
ontologische Argument zur Grundlage seines Systems. Unter »causa
sui« (s. d.) versteht er »id, cuius essentia involvit existentiam,
sive id, cuius natura non potest concipi nisi existens« (Eth. I,
def. I). Gott oder die Substanz existiert notwendig, denn »posse
existere potentia est« (l. c. prop, XI). Gottes Existenz ist eine
ewige Wahrheit. Würde Gott nicht existieren, könnte der Geist ihn
nicht denken (Em. intell.). *)

Het lijkt alsof Kant antwoord
geeft op Spinoza's 'ad absurdum'-bewijs in het bewijs van 1/11: "Wie
dit [stelling 11 dat God bestaat] ontkent, moet zich, zo mogelijk
voorstellen dat God niet bestaat etc.".

Spinoza werkt niet zomaar met een
begrip, maar met een begrip dat een werkelijkheid uitdrukt.