Causa sui [4] bij Descartes

0
24

Het is niet nodig dat ik bij het begin begin: bij Descartes’ twijfel, bij z’n ontkenning van de ‘genius malignus’ en z’n bewijs voor het bestaan van God. Het is voor nu voldoende te weten dat hij bij dat laatste uitgaat van de ‘idea Dei’. Hij ziet dat als aangeboren idee: een idee dus dat ik niet van mezelf heb en dat niet toevallig in mij opkwam vanuit de dingen om mij heen. Dat is volgens hem de uitputtende verdeling van ideeën: aangeboren, toevallig of zelfgemaakt. [Voor verwijsplaatsen naar Descartes werk verwijs ik naar ondergenoemd artikel van Robert C. Miner, waarop ik mij hier vooral baseer.]

Descartes schreef pas over Causa sui in zijn Responsiones op de Primae Objectiones, en vervolgens nader aangevuld in zijn Responsiones op de Quartae Objectiones bij wat later aangeduid zou worden als zijn ‘ontologisch godsbewijs’. In zijn Meditatio V kwam Causa sui dus nog niet voor.

Caterus [zie dit eerdere blog over Caterus] vond dat ideeën geen oorzaken hadden, alleen dingen hadden oorzaken, zodat uitgaan van de idea Dei zoals Descartes deed, niet Gods bestaan zou bewijzen; hij verwees naar Thomas van Aquino die van oorzaken uitging, niet van ideeën. Descartes stelde daar tegenover dat zijn godsbewijs in feite stoelde op het causa sui en daarzonder niet begrepen kon worden. Daar, in dat antwoord op de eerste objecties, begon dus zijn beschouwing over causa sui.